Als het oorlog is, wat doen we dan voor de vrede?

Opinie Frankrijk is in de greep van hysterie, schrijft Laurent Bigot. Aanslagen maken politici en media wraaklustig. „Angst is business geworden.”

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Opnieuw is Frankrijk getroffen door willekeurig geweld, dit keer in Nice. Een groot aantal slachtoffers die maar één fout hebben gemaakt : ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Terwijl het onderzoek nauwelijks is begonnen en er tot nu toe geen enkel geloofwaardig bewijs is geleverd, hebben de aasgieren van media en politiek zich er al met veel bombarie op gestort.

Ik heb het vijf minuten volgehouden om naar een nieuwszender te kijken.

Pseudodeskundigen buitelden voor de camera over elkaar heen en van de journalisten in de studio had zich een ongezonde opwinding meester gemaakt. Tijdens de finale van het Europees voetbalkampioenschap moest voor dertig seconden reclametijd in de rust 260.000 euro worden neergeteld. Voor terroristen is reclame gratis, die krijgen ze van de media en politici. Een paar uur na het drama en ruim dertig uur voor de eerste feiten over de ‘razendsnelle radicalisering’ van de dader door de minister van Binnenlandse Zaken openbaar werden gemaakt, had de Franse president het over ‘moslimterrorisme’. Is dat de onpartijdigheid die je van een staatshoofd mag verwachten? Op zo’n moment dient alle aandacht uit te gaan naar de slachtoffers. Angst zaaien is het werk van terroristen, niet van staatshoofden of media.

In de studio stapelen de speculaties zich op en terwijl de wereld dringend behoefte heeft aan deskundigen op het gebied van vrede, wordt de ene deskundige na de andere op het gebied van angst en oorlog ten tonele gevoerd. De getuigenissen en beelden die worden uitgezonden grenzen eerder aan voyeurisme dan dat ze voldoen aan de plicht om te informeren. Dit heeft niets meer te maken met informatievoorziening, maar alles met enscenering. In zo’n situatie houdt informatieplicht in dat de obsessie met kijkcijfers naar de achtergrond wordt verbannen. Het heeft er alle schijn van dat terroristen beter van onze zwakheden weten te profiteren dan wij van die van hun.

Angst is een reusachtige business geworden. Media geven zich er naar hartenlust aan over, deskundigen floreren, politici zien zichzelf als krijgsheren. Ons land is in de greep geraakt van hysterie. Geen enkele politicus, man of vrouw, die de wereld met andere ogen beziet.

In iedere uitspraak klinkt de wet door van oog om oog en tand om tand, een dierlijk instinct, wraaklust. Ghandi heeft eens gezegd dat oog om oog de mensheid blind maakt. Dat is precies wat er nu is gebeurd. We hebben geen ander antwoord meer dan oorlog. Hetzelfde antwoord als terroristen.

In zijn voortreffelijke boek Calming the Fearful Mind schrijft de Vietnamese zenboeddhist Thich Nhat Hanh: „Terrorisme wortelt in onbegrip, angst, woede en haat, maar militairen kunnen daar niets mee. Met raketten en bommen kun je die niet bereiken, laat staan vernietigen”. Toen de Pakistaanse Malala, die ontsnapte aan de Taliban en op zeventienjarige leeftijd de Nobelprijs voor de Vrede won, een ontmoeting had met Barack Obama, zei ze tegen hem: bestrijd terrorisme niet langer met oorlog, maar met kennis en onderwijs.

Wij westerlingen pretenderen universele waarden over de wereld te verspreiden, maar de realiteit is dat wij een cultuur van oorlog kennen die diep in ons verankerd ligt. Dat bedacht ik tijdens het defilé op 14 juli. Tachtig procent van het defilé is gewijd aan oorlog. 14 juli is onze nationale feestdag. Maar hoewel de strijdkrachten onze erkentelijkheid verdienen, vormen ze niet het enige symbool van ons land. Waarom laten we naast brandweer, politie en marechaussee niet ook artsen, leraren, verplegers en verpleegsters, maatschappelijk werkers, vuilnismannen, jongeren, gehandicapten en ga zo maar door defileren?

En dan heb ik het nog niet eens over de uitgesproken monarchistische kant van de enscenering van het defilé, waarbij François Hollande als enige op de tribune in een fauteuil zit en de rest van de hoogwaardigheidsbekleders het met een gewone stoel moet doen.

Het is dringend nodig om onze verhouding tot de wereld om ons heen te herzien. Nelson Mandela zei al dat onderdrukkers en onderdrukten één ding gemeen hebben: beiden hebben ze hun menselijkheid verloren. Hetzelfde geldt voor slachtoffers en terroristen. Het vereist moed, veel moed om op die manier naar de wereld te kijken. Als alleen peilingen en kijkcijfers ertoe doen, lijken demagogie en sensatie veel betere bondgenoten. Door de hysterische reactie van media en politiek breidt de angst zich uit over het hele land. Je kunt je afvragen in hoeverre die hysterie er niet ook aan bijdraagt dat er aanslagen worden gepleegd. Het zou zinvol zijn om na zulke tragische gebeurtenissen een pauze in te lassen, zodat media en politiek nadenken over wat ze doen en zeggen als tegengif tegen geweld. Nu bieden ze geen oplossing maar vormen ze een reusachtige klankkast die meedeint op emoties.

Hoewel veiligheidsmaatregelen een deel van het antwoord vormen, moeten die niet worden geënsceneerd, noch onder de aandacht worden gebracht als kern van het gevoerde beleid. Dat zou niet alleen betekenen dat we niets hebben geleerd van Afghanistan, Irak en Syrië, maar het zou vooral het oude Europa onwaardig zijn, dat bij monde van Dominique de Villepin de Verenigde Naties er in 2003 aan herinnerde dat „de optie van oorlog op het eerste gezicht misschien de snelste kan lijken, maar we niet moeten vergeten dat nadat de oorlog is gewonnen de vrede moet worden opgebouwd”.

Frankrijk heeft 5.000 militairen naar Mali gestuurd om oorlog te voeren, maar hoeveel mensen om vrede te stichten? Eén slechts, een diplomaat die de Franse ambassade moest versterken. We zijn in staat miljarden uit te geven aan oorlog en overal ter wereld militaire operaties uit te voeren, maar zijn we ook in staat ons dezelfde inspanningen te getroosten voor de vrede? Bouwen aan vrede vereist discretie, nederigheid, volharding en verdraagzaamheid. Kwaliteiten die ik bij Franse politici nog niet heb ontdekt.