Op het kleine station van Torez groeide hoog het onkruid tussen de roestige rails.

Misschien was de lange, uit zilvergrijze koelwagons samengestelde trein wel de eerste in tijden die hier was komen voorrijden. De Seps op het perron hadden het gezicht bedekt met camouflagelappen, maar de vrijgehouden ogen beloofden geen spoedig vertrek. Hun kalasjnikovs waren neerwaarts gericht, met een alerte vinger aan de trekker. Hun commandant, ‘hetman’ Mazepa, groef een tube tandpasta op uit zijn uniform, sloeg het masker omhoog, en schilderde een wit Hitlersnorretje op zijn bovenlip. Hij gaf het ding door aan zijn mannen, die allemaal zijn voorbeeld volgden. Je mocht verwachten dat de schuifdeuren van de koelwagons, die wel vaker in de barre zon zouden staan, hermetisch vergrendeld waren. Toch dreef over het perron een ademstokkende geur van ontbinding. De lucht van een dooie muis in je keuken, maar dan honderdduizend maal versterkt. Een of ander chemisch middel, ter ontsmetting of conservering, maakte de stank alleen maar ondraaglijker.

Ik ging naar Mazepa toe, en vroeg om een likje Prodent. Hij zei: ‘Ik had je gezegd dat ik je hier niet meer wilde zien’, maar gaf me toch de tube. Zijn mannen reikten elkaar de fles wodka aan. Zweet maakte dat de tandpasta in melkstroompjes langs hun kin en hals sijpelde, als bij een peuter met een lekkend ijsje. Ook bij mij maakte de Prodent zich los van mijn transpirerende bovenlip. Toen ik een teug wodka kreeg aangeboden, smaakte die naar ouzo. ‘Nu wegwezen,’ gromde Mazepa. Eerder had een van de Seps me tegengehouden met de vraag wat ik hier deed. Ik wist dat ik niet over fotograferen moest beginnen, dus zei ik: ‘Mijn ouders bevinden zich in deze trein. Ik wou ze uitzwaaien.’

Uit het stationsgebouwtje kwam nu een groepje OVSE’ers met kogelwerende vesten aan, even later gevolgd door enkele leden van de forensische ploeg. Onmiddellijk stelden zich een paar Seps tussen de trein en de inspecteurs op.

‘Wat is de bedoeling?’ snauwde Mazepa.

‘Lichamen tellen,’ antwoordde de leider van de forensische dienst. ‘Kijken of ze goed verpakt zijn.’ En de voorman van de OVSE’ers voegde eraan toe: ‘We moeten aan Charkov doorgeven hoeveel, in verband met de kisten.’

‘De deuren zijn al verzegeld,’ zei Mazepa. Op het perron heerste enige tijd een stilte, gevuld met hitte en stank. In mijn mondholte stichtte de met wodka aangelengde tandpasta een plakkerige droogte. Boven de halfronde daken van de wagons danste de lucht in de brandende zon. Als kind had ik me vaak afgevraagd, zonder meteen aan lakens te denken, hoe je onzichtbare geesten kon gadeslaan. Nou, zo dus: in hun trappelende, golvende bewegingen, die het zicht op de directe omgeving vloeibaar maakten. Het waren de zielen van de doden. Ze hadden zich losgemaakt uit de lichamen in hun koelruimte, maar gaven met hun kolkende dans te kennen nog mee te willen reizen naar Charkov, zich vastklampend aan het dak van de trein.

‘We zullen ze na de inspectie opnieuw verzegelen,’ zei de leider van de forensische ploeg. Mazepa deed een stap opzij: ‘Goed dan.’ De schuifdeuren gingen open, en het zwarte landbouwplastic blikkerde in het zonlicht als de schilden van sommige torren. De OVSE’ers en de inspecteurs namen een minuut stilte in acht, waarbij heel wat neuzen dichtgeknepen werden. Iemand achterin de groep wendde zich af, en braakte op het asfalt. Vervolgens gingen enkele mannen de wagons in om steekproefsgewijs de staat van de stoffelijke resten te controleren. Ik snoof zo diep mogelijk de pepermuntgeur van de Prodent op. Ik voelde de rand van de plastic badkamerstoel weer in mijn schenen drukken: alleen zo, geknield op de zitting, kon ik bij de wasbak om mijn melkgebit te poetsen, aangemoedigd door papa en mama, die achter me stonden. Geen kind kon in die verrukkelijke omstandigheden (‘ook goed schuieren aan de achterkant, schat’) zelfs maar een fractie van een vermoeden hebben dat hij nog eens een lik tandpasta zou moeten gebruiken om zich te wapenen tegen de doordringende lijkenlucht die uit diezelfde ouders opsteeg, op een spookstationnetje in the middle of nowhere.

Lang nadat de inspecteurs vertrokken waren, hield ik op het hete perron mijn dodenwake. Mazepa was verdwenen. Zijn mannen stonden en zaten te slapen tegen de buitenmuur van het gebouw, met de wodkafles leeg tussen ze in. Het was nu zo stil dat ik de vliegen die eerder de wagons waren binnengedrongen, meende te horen gonzen en ruziën boven de dode lichamen. Ik luisterde scherp of het koelsysteem aansloeg, maar dat gebeurde geen enkele keer. Ik verlangde naar de airconditioning in hotel Donbas, met desnoods de aanwezigheid van de vale Poolse, die me misschien een uurtje vergetelheid kon schenken.

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth