Hier is het verdriet te groot om boos te kunnen zijn

Slachtofferhulp In Nice staan hulpverleners nabestaanden bij. Maar wat kun je doen als een man zijn vrouw en kind heeft verloren? ‘Mon fils est mort!’

Inwoners van Nice komen samen bij een spontaan onstane herdenkingsplek op de Promenade des Anglais. Foto Luca Bruno/AP

Het verdriet is nog onmiskenbaar aanwezig in La Maison pour l’Accueil des Victimes, het centrum in Nice voor slachtofferhulp. Een twintigtal psychologen, twee artsen, vier psychiaters, het Rode Kruis, ambulancepersoneel en sociaal werkers zijn hier verzameld om hulp en ondersteuning te bieden aan degenen van wie naasten overleden zijn. De straat is afgezet.

Mensen met wit weggetrokken gezichten lopen in en uit, sommigen zijn verbonden of lopen mank. Hulpverleners komen af en toe naar buiten om te roken, om even met elkaar te praten. Liever niet met journalisten. Zaterdagochtend schijnt een televisieploeg onverwacht het pand te zijn binnengelopen – iedereen die wil praten, moet nu eerst een nummer bellen voor toestemming. Het is te gevoelig.

Hier komen ouders van wie de kinderen overleden zijn, mensen die niet weten hoe ze met hun kinderen moeten praten over wat er gebeurd is, nabestaanden die vreselijke dingen hebben gezien in de minuten en uren nadat de aanval van Mohamed Lahouaiej Bouhlel plaatsvond. Het centrum is voorlopig 24 uur per dag open.

Als ze willen, mogen mensen hier slapen. Isabelle Buchet is een van de psychologen die hen ontvangt. Anderhalve dag na de aanslag kwamen hier al honderd mensen langs, Buchet heeft er ruim twintig geholpen. Het is alsof de mensen hier binnen een oorlogstrauma hebben opgelopen, maar dan zonder een duidelijke vijand, zegt ze.

Waar hebben ze nu vooral behoefte aan?

„Het klinkt stom, maar het gaat vooral om aanwezigheid. Een fysiek persoon om troost bij te zoeken. Iemand om tegenaan te leunen, bij uit te huilen, te praten en nog eens te praten over wat er gebeurd is.”

Praten hoeft niet, sommigen zijn daar ook nog steeds niet toe in staat. „Als iemand een kind heeft verloren, is er niets wat wij kunnen zeggen wat troost zal bieden”, zegt Buchet. „We kunnen er alleen voor ze zijn.” Hier is geen woede.

„Het verdriet is nog te groot om boos te kunnen zijn.”

Zoektocht

Wat de verwerking bemoeilijkt, is de onduidelijkheid. De boulevard waar de aanslag plaatsvond, is dit weekend nog altijd deels afgesloten, waardoor nabestaanden de plek waar hun naaste overleed niet hebben kunnen bezoeken. Sommigen hebben hun vrienden of familieleden dood gezien op de promenade, en sindsdien niet meer. Nu liggen er alweer toeristen op het strand, voor de vlaggen die halfstok hangen.

De 84 overledenen liggen in mortuaria verspreid door de stad, alleen de politie heeft ze gezien. Ze bezoeken mag tot nu toe niet. Eerst wil de politie zeker weten wie iedereen is. De hulpdiensten willen mensen geen valse hoop geven of nog verder traumatiseren door ze de verkeerde kant uit te sturen of foto’s te tonen, en proberen allereerst zelf aan de hand van opgegeven kenmerken de doden te identificeren.

Dat gaat langzaam. Na twee dagen liggen nog rond de twintig mensen in het ziekenhuis van wie onbekend is wie ze zijn. Zondagavond zijn bijna alle slachtoffers wel geïdentificeerd, meldden Franse media.

Bij het ziekenhuis Pasteur kwam zaterdagmiddag één zoektocht na bijna 48 uur ten einde. Tahar Mejri (39) uit Nice, verloor zijn vrouw donderdagnacht en was sindsdien ook zijn zoontje van vier jaar oud kwijt. Hij liep alle ziekenhuizen af, belde de hulpdiensten, deed noodoproepen in de media. Uiteindelijk vond hij hem. „Mon fils est mort!”, schreeuwt hij uit als hij naar buiten loopt. Mijn zoon is dood.