Zen en onzen

Van de drie boeken die hier besproken worden, is het sympathieke OnZen van filosoof Jan Bor het persoonlijkst en meest polemisch, en in dat opzicht het prikkelendst om te lezen. Bor, jarenlang een student van het Japanse zenboeddhisme maar nu op zoek naar ‘moderne spiritualiteit’, probeert in dit boekje ‘met een scalpel’ de ware zen te onderscheiden van de onware. Met de laatste doelt hij op alles dat te maken heeft met rituelen, vormdwang, autoriteit en het slaafs navolgen van zogeheten meesters.

Dat ziet hij nu als ‘gewoon religie in een ander jasje’. Niet de bedoeling, want religie ‘maakt je afhankelijk en is daarom ouderwets’. Het huidige zenboeddhisme is voor hem ‘gewoon de zenkerk, één groot toneelstuk met alle gespeelde heiligheid, dus schijnheiligheid van dien.’ In plaats daarvan houdt Bor zijn ‘medereizigers op de innerlijke weg’ dit voor: ‘Laat alle buitenkant los [...] hou op met die OnZen!’

Hoe moet de lezer deze afrekening opvatten? Het lijkt immers heel erg zen om zen af te doen als onzin en elke vorm van autoriteit, ook die van de boeddha, te verwerpen als obstakels op weg naar de Verlichting. Maar voor zo’n dubbele bodem klinkt Bors ontgoocheling te sterk, ik zou bijna zeggen authentiek. Hij wil af van spirituele spelletjes en omwegen, van ‘alles wat stinkt naar zen’. In plaats daarvan komt het zoeken van je ‘eigen’ weg, toegang tot je ‘hart’, een weg die niet is voorbehouden aan zen, maar die Bor ook vindt bij Meister Eckhart, Bergson en Kierkegaard. Aan het slot van zijn met flair geschreven boekje loopt hij ‘het volle zonlicht in, springt [zijn] hart van vreugde op en zie ik de glans die over alles ligt’. Toch nog spiritueel, om niet te zeggen verlicht.