Wil de ware Boeddha opstaan?

LeerHet boeddhisme is een raar circus geworden, met een hoop gespeelde heiligheid. Drie boeken zetten Boeddha recht op zijn sokkel en scheiden zen van onzen.

Illustraties Enkeling

Gautama de boeddha is de tuinkabouter van het nieuwe Nederland. Het verschijnsel is ook in deze krant al eens beschreven: in talloze huiskamers en tuintjes prijkt tegenwoordig een boeddhabeeld. Als souvenir en ter herinnering dat ook vrijgevochten, suburbane Nederlanders ‘iets’ hebben met wat ooit religie heette en nu, onschuldiger, ‘spiritualiteit’. Religie als horticultuur, fijn en zonder stekels – in lijn met het inmiddels massale toerisme naar Thailand en andere Aziatische streken.

De leer van Gautama heeft dan ook een jaloersmakend goede pers, terwijl religieus geweld en terreur toch aan de orde van de dag zijn: het boeddhisme zou vredelievend zijn (zoals onder islamofoben op Twitter bon ton is: ‘Wel eens een boeddhist met een bomgordel gezien?’), niet dogmatisch en juist modern of zelfs ‘wetenschappelijk’, wat het succes ervan in Amerika en Europa moet verklaren. Sanskritist en filosoof Frits Staal betoogde al in zijn Exploring Mysticism (een cultboekje in de jaren zeventig) dat het boeddhisme gunstig afstak bij het irrationele christendom met zijn onbegrijpelijke dogma’s.

Met die popularisering komt ook een aanzwellende stroom boeken over boeddhisme, sterk gevarieerd van aanpak en karakter, maar vaak goed ingevoerd. Drie recente titels, van filosofen

DPS design & prepress studio
en een indoloog, overbruggen elk op een eigen manier de kloof tussen academische studies en inleidingen voor een groot publiek.

Van die boeken is het sympathieke OnZen van filosoof Jan Bor het persoonlijkst en meest polemisch, en in dat opzicht het prikkelendst om te lezen. Bor, jarenlang een student van het Japanse zen-boeddhisme maar nu op zoek naar ‘moderne spiritualiteit’, probeert in dit boekje ‘met een scalpel’ de ware zen te onderscheiden van de onware. Met de laatste doelt hij op alles dat te maken heeft met rituelen, vormdwang, autoriteit en het slaafs navolgen van zogeheten meesters.

Dat ziet hij nu als ‘gewoon religie in een ander jasje’. Niet de bedoeling, want religie ‘maakt je afhankelijk en is daarom ouderwets’. Het huidige zenboeddhisme is voor hem ‘gewoon de zenkerk, één groot toneelstuk met alle gespeelde heiligheid, dus schijnheiligheid vandien.’ In plaats daarvan houdt Bor zijn ‘medereizigers op de innerlijke weg’ dit voor: ‘Laat alle buitenkant los [..] hou op met die OnZen!’

Spirituele spelletjes

Hoe moet de lezer deze afrekening opvatten? Het lijkt immers heel erg zen om zen af te doen als onzin en elke vorm van autoriteit, ook die van de boeddha, te verwerpen als obstakels op weg naar de Verlichting. Maar voor zo’n dubbele bodem klinkt Bors ontgoocheling te sterk, ik zou bijna zeggen authentiek. Hij wil af van spirituele spelletjes en omwegen, van ‘alles wat stinkt

boeddha
naar zen’. In plaats daarvan komt het zoeken van je ‘eigen’ weg, toegang tot je ‘hart’, een weg (er is geen ‘methode’) die niet is voorbehouden aan zen, maar die Bor ook vindt bij Meister Eckhart, Bergson en Kierkegaard. Aan het slot van zijn met flair geschreven boekje loopt hij ‘het volle zonlicht in, springt [zijn] hart van vreugde op en zie ik de glans die over alles ligt’. Toch nog spiritueel, om niet te zeggen verlicht.

Ook Het boeddha-fenomeen van Erik Hoogcarspel, kenner en vertaler van de boeddhistische wijsgeer Nagarjuna, is doortrokken van spirituele sensitiviteit, maar bij hem is die gegrond op een herziene vorm van boeddhisme als filosofie. Hoogcarspel zoekt evenmin een nieuwe religie, en net als Bor moet hij niet veel hebben van dogmatische, ‘metafysische’ boeddhisten die ritueel teksten opzeggen; dat boeddhisme is ‘een raar circus’ geworden, vol ‘goedgevulde trukendozen’ en leraren die ‘niet van hun vrouwelijke aanbidders kunnen afblijven’.

Maar anders dan Bor zoekt hij niet zozeer de stem van het eigen hart, maar de kern van het ‘niet-metafysische’ boeddhisme, als een filosofische wereldbeschouwing die volgens hem goed aansluit bij, zowaar, de zeer Europese fenomenologie van Edmund Husserl (1859-1938). In zijn boek behandelt hij eerst uitgebreid, en tamelijk eigenzinnig, de leer van de boeddha, dan in vogelvlucht de westerse filosofie, daarna komt de fenomenologie aan bod, die de beste mogelijkheden zou bieden voor een ‘westers boeddhisme’.

Daarmee begeeft Hoogcarspel zich wel op glad ijs. Dat India, in Europese ogen vanaf de 19de eeuw vaak vereenzelvigd met religie en een zweverig soort spiritualiteit, scherpzinnige filosofie heeft voortgebracht die zich kan meten met de westerse, staat inmiddels buiten kijf. Toch is het hachelijk om ‘oosterse filosofie’ of ‘het’ boeddhisme, als je daar al van kunt spreken, weerspiegeld te zien in het werk van één westerse filosoof. Je loopt het risico beiden tekort te doen en te miskennen dat het eerder gaat om het analyseren van filosofische vragen, door de eeuwen heen, dan om het identificeren van scholen en stromingen.

Onbestendig

Hoogcarspel beseft ook terdege dat zo’n ‘één-op-één vertaling’ problematisch is, maar hij ziet enkele ‘fundamentele aanknopingspunten’ met de fenomenologie, waarin de wereld uiteindelijk geen zelfstandig bestaan heeft maar een correlaat is van het bewustzijn. Dat zou sterk verwant zijn aan de leer van de boeddha dat de werkelijkheid onbestendig is en niets op zichzelf bestaat.

De filosofie van Husserl (wiens werk verscheen in dezelfde tijd als de romancyclus van Proust, ook een studie van innerlijke ervaring) deelt met het boeddhisme onmiskenbaar een subtiele aandacht voor de werking en scheppingskracht van het bewustzijn. Maar het blijft een hele sprong van de boeddha, die verlossing zocht, naar de denker uit Freiburg, die de wetenschap een nieuw fundament wilde geven. En van het ‘transcendentaal ego’ dat bij Husserl de werkelijkheid constitueert (een radicalisering van het cogito van Descartes), naar het boeddhistische inzicht in de ‘leegte’ van alles, inclusief het bewustzijn. Hoogcarspel weet dat ook wel, en zoekt aan het slot van zijn boek verder bij latere fenomenologen als Jan Patocka, die de mogelijkheid onderzocht van een ‘subjectloze fenomenologie’.

Uiteindelijk zal een confrontatie van fenomenologie en boeddhisme volgens Hoogcarspel óók een zuivering van het laatste kunnen betekenen, dat volgens hem, in lijn met Bor, nu vaak overwoekerd wordt door uiterlijkheden. Maar hoe zou dat er precies uitzien? In dat opzicht is dit gedurfde, maar ook taaie boek een aanzet en nog lang geen synthese.

Vechtende monniken

Het breedste, meest empirische (en meest bescheiden) van deze drie boeken is dat van Paul van der Velde, hoogleraar Aziatische religies in Nijmegen. In De oude boeddha in een nieuwe wereld onderzoekt hij even genuanceerd als gedetailleerd de westerse kennismaking met het boeddhisme, waarbij vooral de praktijk en de historische context uitgebreid aan bod komen. Gaandeweg ontkracht hij westerse vooroordelen over het boeddhisme, zoals het idee dat het

Boe
inherent ondogmatisch en historisch vredelievend zou zijn. Zo ontmoeten we in zijn boek vechtende monniken, militaristische zen-meesters (die ook Bor niet zijn ontgaan) en koning Dutthagamini van Sri Lanka die ten strijde trok met een reliek van de boeddha (een tand) op zijn lans. Ook in de boeddhistische iconografie speelt strijd een grote rol: Boeddha wordt daarin vaak voorgesteld als een manhaftige en onversaagde held, het pad naar de Verlichting als een ware veldslag.

Verfrissend aan De oude boeddha in een nieuwe wereld is ook dat Van der Velde de vraag naar het ‘authentieke’ of zuivere boeddhisme, die bij Hoogcarspel en Bor een rol speelt, in historisch opzicht relativeert. Westerse oriëntalisten baseerden zich volgens hem in de 19de eeuw op een toen al door boeddhistische meesters zelf gemoderniseerde interpretatie van de ‘oorspronkelijke’ leer.

Aangepast aan westerse, individualistische voorkeuren, is de leer van de boeddha in het Westen een gebruikersvriendelijke psychologie of filosofie voor heel de mens geworden, zoals ook Bor en Hoogcarspel kritisch vaststellen. Terwijl het traditionele boeddhisme in Azië volgens Van der Velde vermoedelijk meer leek op het middeleeuwse katholicisme dan op ‘de rationale filosofie die het nu soms in het Westen moet zijn’.

Madame Blavatsky

Hij verbaast zich daar eerder over dan dat hij het veroordeelt. Wel plaatst ook Van der Velde kritische kanttekeningen bij de vrijgevochten – onnadenkende en botte – manier waarop moderne westerlingen zich vaak de beeltenis van de boeddha toe-eigenen: op T-shirts en knuffeltjes, tatoeages op de blote huid, zelfs op een mobiel toilet. Zoiets is in Azië ‘echt uit den boze’.

Een lacune in dit mooie (en rijk geïllustreerde) boek is hooguit dat de indoloog, die ruim aandacht besteedt aan invloedrijke spirituele charlatans als Madame Blavatsky, de filosofische receptie van het boeddhisme in het Westen vanaf Schopenhauer grotendeels onbesproken laat. Die is ook niet cruciaal voor zijn betoog, want Van der Velde relativeert de neiging om in het boeddhisme vooral een filosofie te willen zien. Maar een filosofische excursie had dit leerzame onderzoek mogelijk nog meer reliëf gegeven.

Zo blijft het reëel bestaande boeddhisme in dit boek vooral een kwestie van doen en minder van argumenteren – zoals alle religies, met of zonder God. Heel gek is de populariteit van die gespiritualiseerde tuinkabouter dus ook weer niet.