We hebben diplomatie nodig, we krijgen Boris Johnson

Opinie Bij Buitenlandse Zaken is Boris Johnson al een kwart eeuw een doorn in het oog, schrijft Sonia Purnell. „Bij een bezoek aan Papoea-Nieuw-Guinea koppelde hij het hele land aan kannibalisme.”

Een zucht van verbaasde afschuw was bijna hoorbaar uit het statige ministerie van Buitenlandse Zaken toen het Lagerhuislid Boris Johnson werd benoemd tot de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Hij heeft geen ervaring als minister, een zwak voor beledigingen van wereldleiders en een reputatie als brokkenmaker. Zelfs medestanders uit de Brexit-campagne twijfelen aan zijn geschiktheid.

Twee weken geleden, toen de nieuwe premier Theresa May zich als Tory-leider kandideerde en Johnson nog als mededinger in de race was, merkte zij op: „Ik meen me te herinneren dat hij de laatste keer dat hij zaken met de Duitsers deed, terugkwam met drie bijna nieuwe waterkanonnen.” Hij heeft ook veelvuldig onder vuur gelegen omdat hij niet voldeed aan hét grote vereiste voor een minister van Buitenlandse Zaken: je huiswerk doen. Als hij in zijn acht jaar als burgemeester van Londen weleens werd aangevallen op zijn povere detailkennis, zag hij er geen been in om te reageren met „blablabla” – niet echt taal voor de Britse afgevaardigde op het wereldtoneel.

1807OPI_johnsondef2

Evenmin heeft Johnson blijk gegeven van andere nuttige diplomatieke vaardigheden, ook al maakte hij in zijn tijd als burgemeester een schijnbaar oneindige reeks buitenlandse reizen, zo vaak dat stafleden weleens de grap maakten dat hij voorgoed uit het stadhuis was ‘uitgecheckt’. Bezoeken op kosten van de belastingbetaler aan landen als India, China en de Verenigde Staten deden wonderen voor de promotie van het merk Boris bij het wereldpubliek, waarbij hij in auto’s of metro’s sprong of toespraken over Downton Abbey en James Bond hield. Hij werd in het buitenland alom als beroemdheid ontvangen en trok daar soms horden ontvlambare jongeren die in de ban raakten van een politicus die zo, nou ja, zo niet op een politicus leek.

Maar sommige van zijn uitstapjes hebben een uitgesproken negatieve uitwerking op de internationale betrekkingen gehad. Toen Boris Johnson in 2008 de Olympische Spelen van Peking bijwoonde, beledigde hij zijn politieke gastheren door kennelijk de burgemeester van de stad te negeren, zijn jasje open te dragen, zijn hand in zijn zak te steken en achteloos met maar één hand de Olympische vlag vast te houden.

Vorig jaar trok hij tijdens een ander buitenlands uitstapje opzichtig de media-aandacht door te poseren terwijl hij op de grond lag en een kalasjnikov richtte, ditmaal bij een bezoek aan de Britse troepen in Irak. Die stunt werd als ongepast beschouwd. Johnsons gedrag gaf die hele reis ophef op het departement dat hij nu leidt. Hij liet zijn omvangrijke persoonlijke barrekening door ambtenaren betalen en eiste te elfder ure nog een toeristisch uitje. Een reis naar de bezette Palestijnse gebieden eindigde in een beschamende chaos en moest worden bekort te midden van een oplopende ruzie over Johnsons „onjuiste, verkeerd geïnformeerde en respectloze” opmerkingen over een voorgestelde boycot van Israëlische producten. Groepjes vrouwen en kinderen trokken hun uitnodiging aan Johnson in nadat hij een dergelijk idee had afgedaan als „idioot” en ingegeven door een „paar linkse academici met corduroy jasjes”. Het behoorde niet tot de meest geslaagde Britse interventies in ’s werelds allergrootste brandhaard.

Al een kwart eeuw is Johnson bij Buitenlandse Zaken een doorn in het oog. Zo stelde in de jaren negentig de conservatieve oud-minister van Buitenlandse Zaken Douglas Hurd vast dat zijn pogingen om met de EU te onderhandelen vaak spaak liepen door de onjuiste en opruiende berichtgeving van Johnson. „Boris zag het als zijn plicht om mij het leven moeilijker te maken”, zei Hurd later. De capriolen van Johnson – die hij zelf heeft vergeleken met stenen gooien naar een glazen kas – gingen zelfs zo ernstig „ten koste van het nationaal belang” dat BZ een speciale ‘Boris-eenheid’ opzette. „We houden Boris wel in bedwang”, beweerde een hoge diplomaat destijds, maar BZ leek jarenlang niet bij machte om een eind te maken aan de „voortdurende hoofdpijn” die hij veroorzaakte.

Niet alleen Johnsons berichtgeving over de EU heeft veel antipathie gewekt. Er was ook een uitgesproken onbehagen over zijn kennelijke oproep tot een tijdperk van neo-imperialisme toen hij onder de titel ‘Hou toch op met dat schuldgevoel’ een artikel schreef waarin hij stelde dat het „gewoon niet geloofwaardig” was om het kolonialisme de schuld van de „puinhoop” te geven. Sterker nog, hij meende dat het probleem „niet is dat wij ooit de leiding hadden, maar dat we nu niet meer de leiding hebben”.

Voor een minister van Buitenlandse Zaken bezit hij een ongewone gave om zoveel mogelijk mensen voor het hoofd te stoten. Hij heeft zich eens bij het hele land Papoea-Nieuw-Guinea moeten verontschuldigen omdat hij het aan kannibalisme had gekoppeld. Zijn nonchalante gebruik van neerbuigende en racistische termen is ook niet bepaald een blijk van internationaal staatsmanschap, evenmin als zijn opmerkingen over juist die wereldleiders die hij als bondgenoot zal moeten koesteren nu Groot-Brittannië na de Brexit zijn weg in een onzekere wereld zal moeten vinden.

President Obama mag dan nog maar een paar maanden in het Witte Huis te gaan hebben, bij zijn recente bezoek aan het VK maakte hij zijn afkeer van Johnson duidelijk toen hij uitgebreid een insinuatie van Johnson rechtzette zonder hem bij naam te noemen. Johnson had namelijk in The Sun gezegd dat Obama een borstbeeld van Churchill had laten verwijderen vanwege zijn „deels Keniaanse” afkomst en „voorouderlijke afkeer van het Britse rijk”.

Maar een aantal van zijn kleurrijkste beledigingen reserveert hij voor vrouwen, niet in de laatste plaats voor Hillary Clinton, die binnenkort weleens Obama zou kunnen vervangen en diens afkeer van Johnson deelt. Nadat hij haar in 2007 met een „sadistische verpleegster in een psychiatrische inrichting” had vergeleken, erkende hij dat het „fantastisch” was dat ze hem later toch nog had willen ontmoeten toen hij als burgemeester van Londen de VS bezocht. Maar iedereen in Washington weet dat ze zijn opmerkingen niet is vergeten en ze hem ook niet heeft vergeven.

Een oud-collega van Boris Johnson heeft eens gezegd dat hij geen vrienden, maar alleen belangen had. Het is de hoogste tijd dat onze nieuwe minister van Buitenlandse Zaken niet alleen zijn eigen belangen, maar ook die van zijn land gaat dienen.