Vertaling voor het Westen

Ook Het boeddha-fenomeen van Erik Hoogcarspel, kenner en vertaler van de boeddhistische wijsgeer Nagarjuna, is doortrokken van spirituele sensitiviteit, maar bij hem is die gegrond op een herziene vorm van boeddhisme als filosofie. Hij zoekt evenmin een nieuwe religie, en net als Bor moet hij niet veel hebben van dogmatische, ‘metafysische’ boeddhisten die ritueel teksten opzeggen; dat boeddhisme is ‘een raar circus’ geworden, vol ‘goedgevulde trukendozen’ en leraren die ‘niet van hun vrouwelijke aanbidders kunnen afblijven’.

Maar anders dan Bor zoekt hij niet zozeer de stem van het eigen hart, maar de kern van het ‘niet-metafysische’ boeddhisme, als een filosofische wereldbeschouwing die volgens hem goed aansluit bij, zowaar, de zeer Europese fenomenologie van Edmund Husserl (1859-1938). In zijn boek behandelt hij eerst uitgebreid, en tamelijk eigenzinnig, de leer van de boeddha, dan in vogelvlucht de westerse filosofie, daarna komt de fenomenologie aan bod, die de beste mogelijkheden zou bieden voor een ‘westers boeddhisme’.

Daarmee begeeft Hoogcarspel zich wel op glad ijs. Dat India, in Europese ogen vanaf de negentiende eeuw vaak vereenzelvigd met religie en een zweverig soort spiritualiteit, scherpzinnige filosofie heeft voortgebracht die zich kan meten met de westerse, staat inmiddels buiten kijf. Toch is het hachelijk om ‘oosterse filosofie’ of ‘het’ boeddhisme, als je daar al van kunt spreken, weerspiegeld te zien in het werk van één westerse filosoof. Je loopt het risico beiden tekort te doen en te miskennen dat het eerder gaat om het analyseren van filosofische vragen, door de eeuwen heen, dan om het identificeren van scholen en stromingen.

Niets bestaat op zichzelf

Hoogcarspel beseft ook terdege dat zo’n ‘een-op-een vertaling’ problematisch is, maar hij ziet enkele ‘fundamentele aanknopingspunten’ met de fenomenologie, waarin de wereld uiteindelijk geen zelfstandig bestaan heeft maar een correlaat is van het bewustzijn. Dat zou sterk verwant zijn aan de leer van de boeddha, dat de werkelijkheid onbestendig is en niets op zichzelf bestaat.

De filosofie van Husserl (wiens werk verscheen in dezelfde tijd als de romancyclus van Proust, ook een studie van innerlijke ervaring) deelt met het boeddhisme onmiskenbaar een subtiele aandacht voor de werking en scheppingskracht van het bewustzijn. Maar het blijft een hele sprong van de boeddha die verlossing zocht, naar de denker uit Freiburg, die de wetenschap een nieuw fundament wilde geven. En van het ‘transcendentaal ego’ dat bij Husserl de werkelijkheid constitueert (een radicalisering van het cogito van Descartes), naar het boeddhistische inzicht in de ‘leegte’ van alles, inclusief het bewustzijn. Hoogcarspel weet dat ook wel, en zoekt aan het slot van zijn boek verder bij latere fenomenologen als Jan Patocka, die de mogelijkheid onderzocht van een ‘subjectloze fenomenologie’.

Uiteindelijk zal een confrontatie van fenomenologie en boeddhisme volgens Hoogcarspel óók een zuivering van het laatste kunnen betekenen, dat volgens hem, in lijn met Bor, nu vaak overwoekerd wordt door uiterlijkheden. Maar hoe zou dat er precies uitzien? In dat opzicht is dit gedurfde, maar ook taaie boek een aanzet en nog lang geen synthese.