Wat voorafging: Het jongetje Nikita wees Natan op een gedeelte van een Oekraïens gevechtsvliegtuig, dat tussen de wrakstukken van de Boeing 777 op de crashsite lag.

Feuilleton in 60 afleveringen

20/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Het jongetje Nikita wees Natan op een gedeelte van een Oekraïens gevechtsvliegtuig, dat tussen de wrakstukken van de Boeing 777 op de crashsite lag.

De kleine Nikita kwam uit een antiseparatistisch nest, maar hij was goede maatjes met alle rondom Grabovo gelegerde Seps, die hem als een soort mascotte beschouwden: het toekomstsymbool van Novorossija.

Nikki had Oleg de Kozak aan me voorgesteld, en die kwam op zijn beurt met Boris aanzetten. Oleg klemde een bruine luchtkussenenvelop onder de oksel. Het was geen toevallig treffen, daar bij de oude kippenfarm. Ze wisten dat ze me daar konden vinden, op de plek waar ik het lichaam van mijn moeder had aangetroffen. Boris diende net als Oleg onder commandant Mazeppa.

‘Is dat zijn echte naam?’ vroeg ik. ‘Zoals op de biljetten van tien hryvnia?’

‘Zo wenst hij te worden genoemd,’ zei Oleg. ‘Naar de Oekraïense hetman en vrijheidsstrijder Ivan Mazepa. Een fraai staaltje hoogmoed.’

‘Tsjaikovski heeft een opera over hem gemaakt,’ zei de zwijgzame Boris opeens. ‘Mijn moeder heeft de doos met platen.’ Hij sprak een heel ander Russisch dan de Seps die ik tot nu toe had meegemaakt. Algemeen Beschaafd, als dat daar bestond, met een zweem plat Moskous. Ik vroeg: ‘Ben jij een Rus?’ Boris keek kwaad naar Oleg, die zei: ‘Hij is een van ons. We vechten allemaal voor dezelfde heilige zaak. Afscheiding van Kiev. Herstel van het historische Novorossija.’

Ze keken elkaar met een ironisch lachje aan. De camouflagepakken die ze droegen, hadden niet verschillender kunnen zijn. Dat van Oleg was door eindeloos wassen zo gebleekt en verrafeld dat hij het tenue binnenstebuiten leek te dragen: de stof zou hem hooguit in een wat vlekkerig sneeuwlandschap nog enige optische bescherming kunnen bieden. Boris’ kledij oogde veel meer als een zorgvuldig aangemeten uniform van sterke stof. De camouflagekleuren waren helder, en lopend langs een bosrand zou hij geen al te opzichtig doelwit vormen. Als het een uniform was, dan een zonder insignes. Het viel me op dat Boris professioneler met zijn kalasjnikov omging dan Oleg – meer volgens een van hogerhand opgelegd protocol, dat de gebruiker ook buiten het slagveld, wanneer het wapen onvergrendeld werd meegedragen, een grotere veiligheid bood. Oleg deed maar wat: hij slingerde het wapen nu eens over de ene, dan weer over de andere schouder, en hing het ook wel diagonaal op zijn rug, als het tenminste niet losjes als een jachtgeweer onder zijn oksel bungelde. Ik vroeg Boris of hij misschien ergens, in Zuid-Jemen of zo, een guerrillaopleiding had gevolgd. ‘Je hele houding staat naar onraad… onverwacht schieten. Je lijkt in je eentje de generale repetitie van een vuurgevecht.’

Boris keek nu nog nijdiger Oleg aan, alsof die verantwoordelijk was voor deze ontmaskering. ‘Boris is een natuurtalent,’ zei Oleg. ‘Het zootje ongeregeld van Mazepa zou een voorbeeld aan hem kunnen nemen.’

Als om zich van het gesprek af te sluiten keerde Boris zich met gesloten ogen naar de laagstaande zon, misschien om er een laatste koestering van te ontvangen. Het licht viel zo overvloedig op de vele stikgaatjes in zijn camouflagepak dat ik er heel precies de omtrekken van de verwijderde onderscheidingstekenen uit af kon leiden. Ik moest denken aan de prikmat in mijn eerste jaar op de Cornelis Vrijschool in Amsterdam-Zuid, toen we nog voornamelijk leerden door te spelen. Eindeloos geduldig volgde ik met mijn naald prikje voor prikje de op het vilt liggende afbeelding, bijvoorbeeld van een kuiken. Het was zaak de gaatjes zo dicht naast elkaar te plaatsen dat je het plaatje na afloop als een grillige postzegel uit het omliggende papier kon lichten. ‘Kijk, juf, ik heb een kuikentje geprikt.’ Door de gaatjes in de vilten mat bleef de omtrek van het kuiken nog een poos zichtbaar. Zo stond ik op de rampplek bij Grabovo te mijmeren over wat, ruim twintig jaar geleden, mogelijk mijn eerste leeropdracht was – en dat alles ingegeven door een legeruniform waarvan de insignes met een scheermesje waren weggenomen. Boris was een gedegradeerde Russische soldaat – niet vanwege nalatigheid, maar uit hoofde van een geheime opdracht.

Bij het afscheid overhandigde Oleg mij de luchtkussenenvelop, waarvan de rand was dichtgeniet. Uit het binnenste klonk een schurend gerammel. ‘Bewaar dit voor ons in een bankkluis. Liever in Charkov dan in Donetsk.’

‘Ik moet eerst weten wat erin zit.’

‘Scherven,’ zei Oleg. En Boris voegde er raadselachtig aan toe: ‘Ongesorteerd.’

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het eenentwintigste deel van dit feuilleton verschijnt dinsdag 19 juli op nrc.nl/afth.