Deze Nederlander is directeur van het Weense Weltmuseum

Steven Engelsman (66) is een Nederlandse museumdirecteur in Oostenrijk. In een land dat door en door verpolitiekt is, moet hij vechten als een leeuw voor zijn Weltmuseum. ‘De minister liet me alle hoeken van de kamer zien.’

fotografie: Lars van den Brink Steven Engelsman

Bijna twintig jaar was Steven Engelsman directeur geweest van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Toen ging de telefoon, zomer 2011. Of hij directeur wilde worden van het gelijknamige museum in Wenen? Hij vroeg een dag bedenktijd om met zijn vrouw te overleggen; zijn zoons waren de deur al uit. „Ik wist het meteen. Wie wil er niet vijf jaar in zo’n metropool wonen? Leiden heeft 110.000 inwoners. Wenen heeft er twee miljoen.”

Engelsman is een wiskundige die carrière maakte in de kunstwereld. Zijn moeder is Zwitsers, zijn vader Fries. Hij heeft een tijd in Duitsland gewoond. De rol van buitenstaander is hem niet helemaal vreemd.

Het Weense museum was tien jaar dicht geweest vanwege intern gedoe. Ze hadden in Oostenrijk veel musea verzelfstandigd, net als in Nederland. Nederland was zelfs hun grote voorbeeld. Alleen, de Nederlanders deden er zes jaar over en de Oostenrijkers deden het in zes maanden. Veel musea kwamen na een paar jaar in financiële problemen. „‘Mijn’ museum voor Volkenkunde”, zegt Engelsman, „was met het kleine Theatermuseum ondergebracht bij het grote Kunsthistorische Museum. In de financiële strijd delfde Volkenkunde het onderspit. Niets functioneerde meer, iedereen werkte elkaar tegen. De sfeer was compleet verziekt. Daarom wilden ze een buitenstaander als directeur. Iemand die geen partij was. Ik dacht, ze hebben dringend een succes nodig, dat lukt mij wel.”

Hij heeft nooit spijt gehad van zijn komst, vertelt hij op de bovenste verdieping van het museum, dat in de Hofburg zit – het oude paleis van de Habsburgse keizer. Het balkon waarop Hitler in 1938, na de Anschluss, tienduizenden juichende Oostenrijkers toesprak, is pal naast het Museum für Völkerkunde. Erachter stonden tot voor kort oude vitrines die de Habsburgse troonopvolger Frans Ferdinand had laten neerzetten. Frans Ferdinand – de man die in Sarajevo werd vermoord. De keizer kon hem niet uitstaan en stuurde hem op wereldreis. Frans Ferdinand kocht tijdens die reis, in een jaar tijd, meer dan 15.000 voorwerpen. Met zijn buit – maskers, munten, gewaden, modellen, wapens – ligt de kelder van het museum nu vol.

Engelsman, een grote ontwapenende man, voelt zich bevoorrecht in deze historische omgeving. Maar hij blijft Hollands-nuchter. Hij zit in hemdsmouwen en drinkt koud geworden jasmijnthee. Naast zijn bureau staat een vouwfiets. Oostenrijkse museumdirecteuren, zegt hij, „zijn zonnekoningen. Ze staan constant in de schijnwerper, terwijl hun personeel het meeste werk doet. Nederlanders organiseren en besturen anders. Wij zijn meer Rijnlands. We willen medewerkers meekrijgen. Geven hen credits, verantwoordelijkheid. Dat vonden ze hier maar raar, in het begin.”

Hij leerde wel meer Oostenrijkse trekjes kennen. Zijn taak was om het museum weer ‘aanwezig’ te laten zijn in Wenen. En om het opnieuw in te richten. De minister gaf hem een enorm budget: 25 miljoen euro. Wenen moet het van het kunsttoerisme hebben; mensen vliegen vanuit China of de VS in voor één operavoorstelling of tentoonstelling. Ze geven astronomische bedragen uit. Wenen is een van de weinige Europese hoofdsteden waar tijdens de economische crisis niet in de kunstbegroting is gesneden. Maar in een door en door verpolitiekt land, waarin socialisten en conservatieven al zeventig jaar regeren en alle baantjes onderling verdelen, is ook de kunstscene speelbal van politieke krachten. Een parlementslid voor de komst van Engelsman: „Die Hollander wordt een Frühstücksdirektor.” Iemand die elke ochtend even op kantoor komt maar niets in te brengen heeft, omdat de echte beslissingen boven zijn hoofd worden genomen. Engelsman nodigde die parlementariër uit om op zijn eerste Weense werkdag te komen ontbijten.

Eenvoudig was het niet. Dat begon al met de nieuwe naam. Het woord ‘Volkenkunde’ is uit de tijd, zegt Engelsman. Het geeft aan hoe wij over andere volkeren denken. Alle musea worstelen met de vraag hoe je relevant blijft voor jongeren en minderheden. Hoe je van je elitaire imago afkomt. Voor Volkenkundige musea geldt dat extra. Engelsman weet nog precies waar hij was toen hij dat echt begreep: in het museum in Osaka. Daar werd de ‘wereld van de Europeanen’ afgebeeld. Wat hadden de Japanners neergezet? Een zigeunerwoonwagen, een destilleerapparaatje en antiek boerengereedschap. „Ofwel: die primitieve Europeanen, altijd aan de drank. Toen besefte ik dat wij in feite hetzelfde doen: laten zien wat de conservator van Afrika of Azië denkt. Heel koloniaal nog. Van die ethnological insult moeten we af. Het Londense Museum of Mankind, het Musée du quai Branly in Parijs en andere – ook zij hebben het roer radicaal omgegooid, om te beginnen met de naam.”

De nieuwe naam die hij voor het Weense museum bedacht, was ‘Weltmuseum’. Bijna haalde die het niet. Oostenrijkers zijn geen gretige vernieuwers. En als je een beetje aan het nationale oppervlak krabt, kun je hier op ranzige wereldbeelden stuiten. Engelsman laat een bericht zien dat hij kreeg van iemand die ontevreden was over de nieuwe naam: „Wij Duitsers willen geen jüdische Umbenennung in Weltmuseum”. Afzender: ‘xx’. Wat er joods is aan de nieuwe naam, weet hij niet. Misschien verwijst het naar kosmopolitisme, naar de openheid die het Weltmuseum moet uitstralen. Hoe dan ook, Engelsman heeft het bericht bewaard en gebruikt het bij lezingen en presentaties. Een Oostenrijker zou dat nooit doen.

Het Weltmuseum zit nu midden in de verbouwing. Het gaat in oktober 2017 weer open. Dat is later dan gepland. Herfst 2014 had Engelsman alle vergunningen. Alles lag klaar voor de aanbesteding. Te mooi om waar te zijn, dacht hij. Inderdaad: er kwam een nieuwe minister van Cultuur. En die zette het hele project op ijs. Deze nieuwe minister had namelijk een droom: een Huis van de Oostenrijkse Geschiedenis openen. De conservatieven hadden al zo’n Huis geopend. Hij, een socialist, wilde er nu ook één. Kon dat niet mooi in de helft van het grote, nieuwe Weltmuseum van die Hollander? En met de helft van zijn geld?

Wat volgde, was een maandenlange guerrilla. „De minister trok alle registers open. Hij maakte ons zwart in de Kronen Zeitung. Hij liet me alle hoeken van de kamer zien. Ik heb bijna mijn ontslag aangeboden. Ik heb gevochten als een leeuw. Uiteindelijk heeft hij maar een klein hapje uit mijn oppervlak genomen en 5 miljoen uit mijn budget. Het had erger gekund. Maar dat Haus van hem gaat 40 miljoen kosten. De staat betaalt dus 35 miljoen extra.”

Zo gaan de dingen in Oostenrijk; dit is maar één voorbeeld. „Het resultaat is soms niet eens slecht, maar ze gaan over lijken om het te bereiken.” De extreem-rechtse partij FPÖ teert op de afkeer van dit soort politieke intriges. Een FPÖ’er maakt kans binnenkort president te worden. „Zo heb ik het in Nederland nooit meegemaakt”, zegt Engelsman. „Zelfs niet toen Halbe Zijlstra de cultuurbegroting halveerde.”

Leiden is voor hem ‘thuis’ gebleven, al is hij er weinig. Als je in het buitenland woont, zegt hij, wordt de verleiding kleiner om te zeggen dat in Nederland alles beter is. Hij vindt dat prettig. Het is gezond om als samenleving kritisch naar jezelf te kijken. En nuttig, op een moment dat er ook in Nederland veel bangmakerij is en mensen nationale oplossingen willen, voor problemen die niet nationaal opgelost kúnnen worden. Engelsman is D66’er. „De enige partij die in mijn ogen fatsoenlijk over Europa en integratie denkt.”

Maar als het om de kunstwereld gaat, is hij redelijk mild over Nederland. Nederlandse musea hebben inhoudelijke doelen, zegt hij. „Er wordt doorlopend beleid gemaakt, er is inhoudelijk altijd politiek getrek en gesjor. Dat is vermoeiend en soms onnodig – maar het houdt je scherp.” Voor orkesten en theaters waren de bezuinigingen het ergst, zegt hij. Voor musea, die collecties hebben, is makkelijker geld te vinden: niemand wil die laten verpieteren.

Hij is blij dat hij de fusie van het Leidse museum met het Afrika Museum in Berg en Dal en het Tropenmuseum in Amsterdam niet heeft hoeven doen. „Mijn opvolger heeft het gedaan. Het is nu een stralende organisatie. Kennelijk komt er door zo’n noodsituatie veel creativiteit los. Kijk naar het Rijksmuseum. Voor de sluiting kwamen daar één miljoen bezoekers per jaar. Nu 2,5 miljoen, van wie 1,3 miljoen Nederlanders. Het is een museum voor iedereen geworden. Knap! In Oostenrijk mis ik dat ten enenmale. Het gaat vaak alleen over geld. Met stijgende kosten en gelijk blijvende subsidies moeten ze steeds meer zelf verdienen.”

Zo zat er in het oorspronkelijke plan voor het Weltmuseum, het gesneuvelde plan, een klein kindermuseum. Logisch, zegt Engelsman: „Als je wilt dat je museum bijdraagt aan integratie en acceptatie van culturele diversiteit, moet je bij kinderen beginnen. In Nederland is iedereen met dat soort ideeën bezig. De minister pusht het. Hier gebeurt het omgekeerde: de museumdirecteur bedenkt het, maar de minister vindt het onzin. Hij had geld en ruimte nodig en schrapte het kindermuseum als eerste.”