‘Ooit was Gent groter dan Parijs’

Reportage Expositie Collectie Huts De Belg Fernand Huts is een machtige zakenman en een belangrijke verzamelaar. Met zijn kunst wil hij de aandacht voor het gedeelde verleden van Nederland en Vlaanderen aanwakkeren.

©

Fernand Huts wil de Vlaming zijn trots teruggeven. De eigenaar van Katoen Natie, een van de grootste logistieke bedrijven in België, onder meer actief in de haven van Antwerpen, zet zijn kunstcollectie in om de Vlamingen ervan te doordringen dat zij een roemrijk verleden hebben, een eigen ‘Gouden Eeuw’ van kunst en economie.

In het oude Caermersklooster in Gent heeft Huts samen met de provincie Oost-Vlaanderen een tentoonstelling georganiseerd vol oude meesters, die moet laten zien dat het gebied ooit het centrum van de wereld was. „Gent was groter dan Parijs en had meer inwoners dan Londen”, zegt Huts. „Ook Antwerpen en Brugge waren eind vijftiende, begin zestiende eeuw culturele en economische trendsetters. Het is een streek om fier op te zijn. In deze contreien ontstond een nieuwe, ondernemende en onderzoekende mens, die zich niet meer liet ringeloren door de kerk of de adel.”

Zakenman Fernand Huts is in Nederland misschien onbekend, maar in Vlaanderen een beroemdheid, niet alleen wegens zijn wereldwijde imperium, maar ook door zijn verleden als politicus van de liberale partij VLD. Sinds twee decennia houdt hij zich ook bezig met het verzamelen van kunst. Dat begon met de overname van een belangrijke collectie duizend jaar oud textiel, afkomstig uit opgravingen in Egypte. Inmiddels omvat zijn collectie ook Cobra-kunst („Die kon ik in de jaren negentig heel goedkoop op de kop tikken, toen de markt instortte”), moderne en hedendaagse Belgische kunst en kunst uit Zuid-Amerika, waar zijn bedrijf belangrijke vestigingen heeft. Het hoofdkantoor van Katoen Natie in Antwerpen fungeert als een soort expositieruimte annex depot en heet daarom toepasselijk headquARTers.

Geldtafel

De tentoonstelling in Gent is voor Huts een goede manier om uit te vinden hoe hij zijn collectie nog meer kan inzetten. Misschien mondt dat op termijn uit in een eigen museum. Kunsthistorica Katharina Van Cauteren leidt sinds anderhalf jaar de Phoebus Foundation die de kunstcollectie beheert. Net als Huts vindt zij dat kunstwerken vooral een verhaal moeten vertellen. „Schoonheid interesseert mij niet zo”, zegt zij. „Voor mij zijn schilderijen vooral een toegangspoort tot het verleden.” Niet dat er geen mooie schilderijen te zien zijn in Gent; Huts bezit werk van Oude Meesters als Jan Gossaert, Gillis Mostaert, Hans Memling en Jan Brueghel de Oude.

Naast pronkstukken uit de collectie van Huts zijn er in Gent ook bruiklenen te zien uit grote Belgische musea, bibliotheken, archieven en privécollecties. De stukken zijn zo geselecteerd dat zij in acht thematische zalen het verhaal vertellen van de ‘nieuwe mens’ die aan het einde van de Middeleeuwen, begin van de Renaissance in Vlaanderen van het platteland naar de stad trok. Schilderijen, maar ook gebruiksvoorwerpen als spinnewielen en een geldtafel illustreren hoe handel, textielnijverheid en de geldhandel in de Zuidelijke Nederlanden floreerden. „Het woord ‘beurs’ komt van de familie Van der Beurze in Brugge”, vertelt Van Cauteren. „Die familie bezat een herberg, Ter Beurze, waar massaal financiële transacties plaatsvonden, waardoor de naam van de herberg overging op het nieuwbakken instituut. Het eerste beursgebouw ter wereld ontstond in Antwerpen.”

Hebzucht

Om hun handelsimperium uit te breiden zochten de stedelingen nieuwe markten. Scheepsmodellen en zeegezichten getuigen van hun verre reizen. Ook op geestelijk gebied gingen de burgers op onderzoek uit: de wetenschap nam een hoge vlucht, zo laten onder meer prenten zien die Johannes Stradanus uit Brugge maakte van twintig uitvindingen.

Het verdiende geld gaven de welgestelde burgers onder meer uit aan kunst. In Antwerpen kwam een enorme productie van schilderijen, prenten en retabels voor de vrije markt op gang. „Veel werken hadden een moraliserend karakter”, vertelt Van Cauteren, die bekent dat de schilderijen die tonen hoe het niet moet, haar favorieten zijn. „Ze waarschuwden tegen hebzucht, luiheid, overspel en andere ondeugden. Want aan het einde van elk leven wacht de dood. De onzekerheid over wat daarna kwam boezemde de burgers schrik in.”

De kerk profiteerde daarvan, getuige de aflaten en pelgrimsouvenirs die aan de angstige burgers werden verkocht om hun zielenheil te redden. Lang kon dat niet goed gaan. De tentoonstelling werkt toe naar een einde waarin katholieken en protestanten in een bloedig conflict raken, dat ook de Nederlanden verscheurt.

In 1830 scheidden de Zuidelijke Nederlanden zich af van het koninkrijk. Fernand Huts erkent dat hij hierin een boodschap heeft verpakt. „Ik ben Orangist”, zegt hij. „Ik betreur de opstand van 1830 tegen koning Willem I zeer. De eenheid van de Nederlanden kan ik niet herstellen, maar hopelijk wakkert deze tentoonstelling wel de belangstelling aan voor het gezamenlijke verleden.”