Odysseus is ook nu nog een pageturner

Literatuur

In een nieuwe vertaling van Homeros’ immer spannende epos klinkt Odysseus soms ineens als de hardloper Churandy Martina: ‘Geliefde goden, wat/ een dag is dit voor mij! Ik ben heel blij!’

©

Er is een nieuwe vertaling verschenen van de Odyssee, het boek van de lotgevallen van de Griekse held Odysseus, ‘de man van vele listen’, zoals de beginregel meldt. Het is het verhaal van zijn omzwervingen over zee, zijn wonderbaarlijke ontmoetingen en ontsnappingen in de tien lange jaren na de val van Troje. Daar horen Kalypso en Nausikaä bij. De Lotuseters. De gruwelijke Cycloop. De mensenetende Laistrygonen. Zijn verblijf bij de betoverende Kirke. Het gezang van de Sirenen en wat niet meer.

De Odyssee is het boek van de wispelturige invloed van de goden. Maar daarnaast ook het boek van de terugkeer van Odysseus naar zijn eigen eiland Ithaka. Halverwege neemt dit avontuurlijke godendrama ook trekken aan van een modern psychologisch toneelstuk. Odysseus vermomt zich na zijn terugkeer als bedelende vreemdeling om zo eens even te kijken hoe de zaken er nu, twintig jaar na zijn vertrek naar Troje, voorstaan op zijn eiland – en dan vooral rond zijn paleis, waar een groep van profiteurs (de ‘vrijers’) het voor het zeggen heeft gekregen. Hoe gaat dit aflopen?

In vermomming

Ik ging meteen op zoek naar mijn lievelingspassage, over de hond Argos. ‘Nu lag er daar een hond en hij verhief/ zijn kop en spitste ook de oren, Argos,/ hond van de onverschrokken Odysseus.’ Er is al die jaren slecht voor hem gezorgd. Hij ligt ‘op de mest van muilezels en runderen’, maar hij reageert meteen als hij, na twintig jaar, zijn oude baas in vermomming terugziet. Hij begint met zijn staart te kwispelen – en ik merkte dat ik ook nu meteen denkbeeldige sussende bewegingen begon te maken in zijn richting, want al te veel enthousiasme van de oude hond zou Odysseus kunnen verraden. Maar Argos is ‘gelukkig’ te gebrekkig om nog naar zijn oude meester toe te kunnen komen – dus niemand merkt het. En niemand merkt hoe aangedaan Odysseus is. ‘Toen wendde Odysseus / zijn ogen af en wiste zich een traan.’ En even later is er ook niemand die ziet hoe Argos meteen daarna zijn laatste adem uitblaast.

De scène met Argos is onderdeel van een reeks herkenningen (zijn zoon Telemachus, zijn oude voedster) die allemaal geheim moeten blijven, zolang Odysseus zijn plan om de macht op zijn eiland terug te veroveren nog niet heeft uitgevoerd. Het zorgt voor spannende passages, in psychologisch opzicht.

Prachtig is de episode waarin Odysseus, nog steeds vermomd als oude bedelaar, in gesprek gaat met zijn vrouw Penelope. Hij heeft haar twintig jaar niet gezien, maar zij mag, met het oog op de verdere plannen voor het uit de weg ruimen van de vrijers, nog niet weten wie hij werkelijk is. Zij denkt iemand voor zich te hebben die haar iets over haar verdwenen man kan vertellen, en zij begint hem te vertellen hoezeer ze haar man mist. En hoezeer ze moeite heeft moeten doen om zich al die jaren de vrijers van het lijf te houden, en haar man trouw te blijven, ook al weet ze wel bijna zeker dat hij dood is. Wij weten dat het anders is, en de man tegenover haar ook – maar hij mag niets laten merken. ‘Zijn tranen bleef hij met een list verbergen.’

Nog spannender wordt het als zij hem naar zijn afkomst vraagt. Dan zien we hem ter plekke een schijnbiografie verzinnen, en een schijnnaam (Aithon) en een ontmoeting met Odysseus, ooit, op Kreta. Hij weet zoveel over Odysseus te vertellen dat zij hem wel moet geloven. En dan moet Penelope huilen, op z’n homerisch: ‘Zoals hoog op de toppen van de bergen/ sneeuw smelt die Zefyros heeft uitgestrooid,/ door Euros dooit en door haar dooi opnieuw/ de stromende rivieren zwellen doet –/ zo smolten ook haar mooie wangen weg/ terwijl zij tranen liet, haar man betreurde/ die daar nochtans naast haar gezeten was.’ Odysseus moet al die tijd proberen onaangedaan voor zich uit te kijken, zijn ogen ‘strak als waren ze van hoorn of ijzer’.

De Odyssee is nog steeds een ijzersterk verhaal, ook in deze nieuwe vertaling van de Vlaamse classicus en dichter Patrick Lateur (1949). Hij heeft, net als in zijn vertaling van de Ilias (2010), gekozen voor vijf jamben per regel, zonder rijm, omdat ‘het jambische ritme het dichtst bij onze natuurlijke gesproken taal ligt’, zo zegt hij in zijn toelichting.

Soepel en vlot vertaald

Lateurs vertaling leest soepel en vlot. De brede versregels van Homeros zijn vervangen door korte. Er zit veel vaart in, met af en toe mooie ritmische versnellingen en vertragingen. De meest typische homerische wendingen zijn vervangen door naturel Nederlands. De blankarmige Nausikaä heet hier ‘Nausikaä met blanke armen’, en de rozevingerige dageraad ‘de Dageraad met roze vingers’. Maar er wordt nog wel archaïsch gevaren over ‘het wijnrood zeediep’ en soms ontsnapt er nog steeds, op ouderwetse wijze, een woord aan ‘een haag van tanden’.

Heel in het algemeen vind ik de vertaling wat bleekjes en gewoontjes, meer journalistiek dan literair. De zinsvolgorde is soms raar. ‘Op dezelfde dag kwam ook/ geducht omwille van zijn oorlogskreet/ held Menelaos weer met alle schatten.’ Her en der zie je Vlaamse invloeden (‘ver- deemstering’). De vader van Odysseus, Laërtes, treffen we in zijn ‘goedverzorgde tuin’, ‘tussen de aanplantingen’, oud en waardig, maar een paar regels verder klinkt hij ineens als hardloper Churandy Martina: ‘Geliefde goden, wat/ een dag is dit voor mij! Ik ben heel blij!’

Het had van mij met iets meer kleur en diepte en vervoering gemogen. Er zijn ook andere Odyssee-vertalingen voorhanden: die van H.J. de Roy van Zuydewijn bijvoorbeeld, in hexameters; de oude prozavertalingen van Schwartz en Van Gelder; en binnenkort komt Imme Dros met een herziening van haar metrische vertaling uit 1991.

Maar in welke vertaling ook gelezen, de Odyssee blijft een meeslepend boek. Gaan Penelope en Odysseus uiteindelijk met elkaar naar bed? Kunnen de vrijers het straks nog navertellen? Komt er eindelijk vrede op Ithaka? Ik verklap niet hoe het afloopt, maar wel dat het spannend blijft tot het eind. Een pageturner, ook in deze lichtvoetige vertaling van Patrick Lateur.

Guus Middag