Wilde verhalen over dieren aan drank en drugs

Dier en drugs

Waterbuffels die papaver eten en apen die smikkelen van fruit vol alcohol – talloos zijn de verhalen over dieren die drugs gebruiken.

illustratie inge trienekens

Een halfaapje, high van het kauwen op een miljoenpoot. In 2002 zond de BBC de documentaire Wild Nature uit, waarin een zwarte maki te zien was. Deze maki hapte enthousiast in de geleedpotige, terwijl het kwijl van zijn snuit droop. Daarna smeerde hij zijn buik uitgebreid in met een mix van speeksel en miljoenpootsap.

De camera zoomde in op de halfgesloten oranje ogen van het dier, die in het niets staarden. „Als het insmeren doorgaat, komt het dier in een hemelse toestand terecht”, zegt de voice-over met bezwerende stem. „De uitscheiding lijkt te werken als een drug, die het dier genot geeft als beloning.”

De suggestie: wilde dieren gebruiken drugs, net zoals mensen. Waarom niet? Dieren zijn ruimschoots in de gelegenheid. De natuur staat vol giftige paddestoelen, planten als papaver, peyote (een cactus) en ayahuasca (een klimplant), gefermenteerde vruchten die alcohol bevatten, enzovoort. Maar anderzijds, waarom wel? Waarom zou een dier met opzet giftige stoffen innemen, die het gemakkelijk fataal kunnen worden? En trouwens, waarom doen wij mensen dat eigenlijk?


Het internet loopt óver van de verhalen over benevelde beesten in het wild. Het is een feest – maar wel één van het soort waarvan je je na een tijdje afvraagt wat je er eigenlijk doet. Het gaat over waterbuffels in Vietnam die ronddoolden in opiumvelden ‘om de oorlog te vergeten’, rendieren die vliegenzwammen knabbelen, geiten in Canada die dol zijn op giftige korstmossen – als het niet toch schapen waren.

Veel van zulke anekdotes stammen uit hetzelfde, beroemde boek over dit onderwerp: Intoxication (1989) van de Amerikaanse psycholoog Ronald Siegel. Hij betoogt dat drugs voor mensen een eerste levensbehoefte zijn, en dat dat voor veel dieren niet anders is.

Siegels boek is serieus en met overtuiging geschreven, maar het is ook dubieus. Deels komt dat doordat sommige van zijn drugs-experimenten met apen tegenwoordig onaanvaardbaar zijn, maar ook doordat zijn observaties zelden controleerbaar zijn. Zijn anekdotes over benevelde dieren stammen uit oude of onduidelijke bronnen, of uit zijn eigen veldwaarnemingen, waarbij hij ook losjes experimenteerde – zoals door geiten los te laten in een veld vol giftige bonen.

Over het verhaal van de zwarte maki met de miljoenpoot bestaat wél een serieus wetenschappelijk artikel, in 1999 gepubliceerd door plantkundige Chris Birkinshaw. Birkinshaw kwam op Madagascar, waar hij deels werkt, een maki tegen die tot tweemaal toe haar buik insmeerde met miljoenpoten. „Nadat ze erin beet, grimaste ze, ze sloot haar ogen voor de helft en ze kwijlde uitbundig.”

Insectenwerende stof

Toch denkt Birkinshaw dat de maki de diertjes inzette als insectenwerende stof. Er zijn veel dieren die zoiets doen – capucijnaapjes smeren zich bijvoorbeeld in met mieren. Dat de maki op geestverruiming uit was, noemt Birkinshaw „de minst waarschijnlijke verklaring”.

Het gebrek aan betrouwbare informatie is ook Berkeley-hoogleraar Robert Dudley opgevallen. Hij publiceerde twee jaar geleden het boek The drunken monkey. Dudley’s lab is gewijd aan de vliegtechniek van dieren als hommels en kolibries. Maar persoonlijk is hij, als zoon van een alcoholist, geïnteresseerd in de evolutionaire oorsprong van alcoholisme.

Dat dieren in gevangenschap aan de drugs kunnen raken, is een uitgemaakte zaak. Een rat is in het lab na enkele toedieningen verslaafd aan heroïne, honden aan de nicotine en apen aan de speed, enzovoort: vul zelf elke combinatie van proefdier X en drug Y in.

En als je het apen of olifanten voorzet, willen ze ook wel vrijwillig aan een tequila sunrise beginnen. Ronald Siegel van Intoxication experimenteerde ermee, in de jaren tachtig. Hij zette zeven Afrikaanse olifanten alcoholoplossingen voor. De laagste, van 7 procent, wilden ze best drinken. De olifanten zonderden zich vervolgens af, en stonden vooral lethargisch met hun oren te flapperen. Maar doen zoogdieren dat ook in het wild?

Apen, betoogt Dudley, hebben ruimschoots toegang tot overrijp, alcoholhoudend fruit – voedzaam fruit bovendien, door de vele suikers. Overrijpe pruimen uit de supermarkt kunnen 0,5 procent alcohol bevatten. Het eten van zulk fruit door mensapen is de voorloper van menselijk alcoholgebruik, denkt hij. Aardige hypothese.

Maar Dudley zelf is in zijn boek al behoedzaam over het bewijs. „Soms lijkt het alsof de waarnemers zelf hebben gedronken.” Zelfs de beroemde verhalen over olifanten die luid trompetterend rondzwalken nadat ze overrijpe vruchten zoals marula hebben gegeten, gelooft hij niet. Als olifanten 30 kilo rijpe marula’s wegwerken, valt het promillage nóg mee. Fysiologen hebben het in 2006 uitgerekend. „Afrika maakt wilde en bizarre ideeën los in de argeloze bezoeker”, concludeerden ze.

Dudley denkt dat apen helemaal niet zo vaak dronken zijn – de titel van zijn boek koos hij niet zo handig. Dronkenschap is voor dieren veel te gevaarlijk. Apen hebben door het fruit eten wel een hang naar de lage alcoholpercentages uit fruit – die hebben mensen uitgebuit.

Maar collega’s gooiden zelfs koud water over die behoedzame stelling. Zijn boek is een uitgebreide uitwerking van een artikel uit 2000 in The Quarterly Review of Biology. Katharine Milton, specialist in apenvoedsel bij Dudley’s eigen universiteit, vroeg vervolgens aan twintig collega’s uit het veld of apen overrijp fruit eten, en of ze wel eens dronken overkomen. De apen bleken helemaal geen voorliefde te hebben voor overrijpe, licht vergiste vruchten. Alle apensoorten die die veldwerkers kenden, aten hun fruit liever rijp of rauw.

Eén collega had wel ooit een stel dronken sifaka’s gezien. Ze rolden met hun ogen, hun bek hing open. Eén aap sprong op een bioloog en bleef daar liggen, „alsof hij niet door had dat hij op een persoon lag”. Maar zelfs dit leek geen opzettelijke dronkenschap. Sifaka’s eten doorgaans geen fruit, maar zaden. Was het fruit dat eromheen zat, rot geweest? Of zat er iets verkeerds in de zaden?

Katharine Milton besloot haar artikel met een boude stelling. „Mensen lijken de enige dieren met een sterk ontwikkeld zelfbewustzijn, en dus zijn zij misschien wel de enige dieren die van dat bewustzijn willen ontsnappen.” Dat zou, bij gebrek aan bewijs, best wel eens waar kunnen zijn.