Veren-etende bacterie teistert vogels

Wilde vogels ondervinden flinke slijtage aan hun verenkleed doordat bacteriën het op hun veren hebben voorzien. Dat blijkt uit tienjarig onderzoek van ornithologen Cody Kent en Edward („Jed”) Burtt van de Ohio Wesleyan University (The Auk, 13 juli).

Kent en Burtt vingen wilde vogels in mistnetten. Ze namen monsters van het verenkleed door buik rug en staart op een voedingsbodem voor bacteriën te drukken. Die analyseerden ze later in het laboratorium.

Bacteriën die veren verteren werden in 1992 voor het eerst aangetroffen in kippenveren. Ze breken keratine in de veren af. Het zijn vooral bodembacteriën, Bacillus licheniformis, B. subtilis en B. pumilus, die dit doen. Jedd Burtt, die in april van dit jaar overleed, ontdekte in de jaren negentig dat ook wilde vogels hier last van kunnen hebben. Hij was ervan overtuigd dat bacterievraat de evolutie van vogels sterk beïnvloedt heeft.

Met Kent inventariseerde hij in welke mate veer-etende bacteriën voorkomen bij 154 wilde vogelsoorten op verschillende plekken in de Verenigde Staten en Canada. Overal troffen ze die aan, bij gemiddeld 39 procent van de gevangen vogels.

Leefwijze is waarschijnlijk van grote invloed op de besmettingsgraad, schrijven ze. Soorten die hun voedsel op de grond verzamelen (zoals spreeuwen en lijsters) en insectenetende soorten (zoals zwaluwen en vliegenvangers) hebben relatief vaak veerbeluste bacteriën in hun verenkleed. Nectar-etende soorten (kolibri’s), vogels die hun voedsel vinden onder boomschors (spechten) en zeevogels (stormvogels) droegen veel minder vaak zulke bacteriën bij zich.

Vogels met veer-etende bacteriën hadden vaker slijtage aan hun veren, en omgekeerd hadden vogels zonder zulke bacteriën vaker een net verenkleed.