Het is onzin dat Nederland in de ban is van wijdverbreid racisme

Minderheden zijn juist aan het emanciperen, schrijft Herman Vuijsje. Vandaar hun „hoogoplopende gevoeligheid” voor racisme.

©

Bijna kostte het me mijn baantje, het verhaal over de ‘grijze golf’ dat ik in 1985 in deze krant publiceerde. De ‘keuzedagen’ waarop 60-plussers voordelig met de trein kunnen, waren toen nog gebonden aan vaste perioden. Op de laatste dag van zo’n periode trok ik er met drie collega’s op uit om vast te leggen hoe de treinen uitpuilden van de oudjes die op de valreep hun keuzedag opsoupeerden.

‘Oudjes’… ja, dat woord gebruikte ik. Die aanzwellende grijze golf was eigenlijk míjn golf, de geboortegolf, die pas na de eeuwwisseling met grijze en witte kruinen over Nederland zou uitspoelen. Mócht ik er dan misschien een beetje badinerend over doen?

Nee, dus. De reportage werd afgestraft met vijftig woedende ingezonden brieven. Mijn observaties over ‘de rook van gepoederde bolknaks en andere oudemensengeuren’ en over bejaarden die al tien minuten voor aankomst gepakt en gezakt uitstappensklaar zaten, waren ‘bejaard-o-foob’. Wij werden op ons nummer gezet als ‘vlegels’ en ‘snotneuzen’.

Ik wist ontslag bij de krant nog net te voorkomen door de allerkwaadste ingezondenstukkenschrijvers te interviewen. Later zou ik wel anders piepen, kreeg ik daarbij te horen: „Voor u het weet hoort u zelf bij de grijze plaag.” En inderdaad, intussen heb ook ik mijn vrije reisdagen te pakken. Maar zou ik, zouden wij, ook zo gepikeerd reageren als een stel snotneuzen een ironisch stuk over ‘oudjes’ zou schrijven? Welnee, we zouden onze schouders ophalen en doorgaan met ons werk, onze reizen, onze relatieperikelen en alle andere dingen waarmee we het altijd al druk hadden. Oudjes, best hoor. Over wie heb je het – toch niet over mij?

Buitenstaanders

Nog een herinnering, niet van mij maar van de schrijver Sal Santen. In zijn boek De kortste weg vertelt hij hoe hij rond 1925 een buurjongen tegenkwam die hem vroeg: „Zo joodje, wat heb je aan je knie?” Wat te doen? Moest hij gaan knokken? ‘Vuile jood’ had hij niet gezegd. Trouwens, knokken met een gat in je knie… Sal besluit zijn tegenstander demonstratief de rug toe te keren. Die pakt hem evenwel bij zijn schouder en zegt: „Je moet niet zo gauw beledigd zijn. Ik meen het wat ik vroeg. Wat is er met je knie aan de hand?” En Sal zegt opge lucht: „Op mijn knie gevallen. Gaan zweren.”

Joden, destijds de enige ‘etnische minderheid’ van enige omvang in Nederland, waren toen halverwege hun emancipatieproces. In een aantal opzichten nog buitenstaanders, grotendeels behorend tot de onderklasse, kampten zij met een gecompliceerde mix van minder- en meerderwaardigheidsgevoelens. Die onzekerheid zorgde voor lange tenen. Joden maakten er zelf grapjes over, bijvoorbeeld over de stotterende Sam, die gaat solliciteren als radio-omroeper, wordt afgewezen en verontwaardigd uitroept: „A…a..allemaal antis..s..emieten!”

Het racismespook rammelt weer even akelig met zijn ketenen als in de jaren tachtig.

„We waren gedwongen iedereen te ontzien”, schreef de joodse Carry van Bruggen, „en toch wisten we, door onze trotse aard, dat we boven de anderen stonden.” In zijn Memorboek legde M.H. Gans het uit: deze gevoelens van meerderwaardigheid werden gekoesterd „als een kleine, machteloze wraak. Die minachting moest ons voor minderwaardigheidsgevoelens behoeden.”

Een ontroerend voorbeeld wordt opgehaald door een verteller in het boek Herinnering aan Joods Amsterdam. Hij was verloofd met een niet-Joods meisje, wat kritiek opriep bij zijn neef. „Die zat haar maar te plagen door allerlei Joodse uitdrukkingen te gebruiken. Maar mijn verloofde liet dat niet op zich zitten, die ging naar mijn moeder en zei: ‘Leer mij wat van die Joodse uitdrukkingen.’ En de volgende keer had ze een hele serie van die uitdrukkingen en ze begon die met flair tegen hem terug te zeggen. Sindsdien aanbad hij haar.”

Zwart versus wit

Het is de moeite waard deze herinneringen op te halen nu zowel in de Verenigde Staten als in Nederland het verschil tussen wit en zwart voor heftige emoties zorgt. Dit keer zijn niet aanduidingen als ‘oudjes’ of ‘joodjes’ de steen des aanstoots, maar kan een ongelukkige uitspraak over ‘zwartjes’ het verwijt van racisme opleveren.

Niet alleen in Amerika met zijn lange geschiedenis van virulent racisme, maar ook in Nederland ligt racisme overal op de loer – die stelling wordt met grote vanzelfsprekendheid naar voren gebracht. Dat was niet altijd zo. De frequentie en heftigheid van klachten over racisme in Nederland vertoont een duidelijke jojobeweging.

In de jaren tachtig waren zulke klachten schering en inslag. In Nederland is „een golf van racisme” gaande, schreef Anet Bleich in Nederlands racisme (1984). „De klacht over een door ‘hullie’ slecht onderhouden trappenhuis en de gaskamer zijn de twee uitersten van één racistisch universum.” In hetzelfde jaar concludeerde antropologe Philomena Essed dat Nederland in de ban was van een gemeen soort „alledaags racisme”.

In de jaren negentig kwam er een eind aan het kritiekloos beamen van deze denkbeelden. VVD-leider Frits Bolkestein was de eerste die zich er met succes tegen verzette. Later volgden, in verschillende toonaarden, Pim Fortuyn en Paul Scheffer.

In 2005 loste Geert Mak het startschot voor een nieuwe periode van racisme-alarm, die voortduurt tot vandaag. Een jaar na de moord op Theo van Gogh schreef hij in zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid: „In de media gingen de kelders open en spatte de jarenlang opgespaarde vreemdelingenhaat naar buiten.” Discriminatie en racisme dreigden volgens Mak tot nieuwe grondwaarden te worden verheven. In 2013 karakteriseerde Nationaal ombudsman Alex Brenninkmeijer de politieke stemming in Den Haag als discriminatoir en racistisch. Ook in het Zwarte-Pietdebat wordt de notie van een racistisch Nederland met grote vanzelfsprekendheid naar voren gebracht, en door velen beaamd. Het racismespook rammelt weer even akelig met zijn ketenen als in de jaren tachtig.

Emancipatiekramp kan een verklaring bieden voor de huidige carrousel van ‘racisme’-affaires.

Wederopleving

Hoe valt deze wederopleving te verklaren? Niet uit een explosie van racistische incidenten. In Engeland zijn sinds 1975 tientallen moorden met een racistische achtergrond gepleegd. In Duitsland vermoordden neonazi’s tussen 2000 en 2006 acht Turkse winkeliers. Het weekblad Die Zeit stelt het aantal racistische moorden sinds de Duitse hereniging op 152. In Nederland zijn uit de laatste decennia vier moorden met een racistische achtergrond bekend. In 1976 werd de Turk Ibrahim Uysal in een Amsterdamse gracht geduwd en verdronk. De in 1983 vermoorde Kerwin Duijnmeijer was van Antilliaanse afkomst, maar later bleek dat de dader geen racistisch motief had. Wel werden in 1989 drie Rotterdamse vrouwen doodgestoken. De dader was een Surinamer wiens vriendin het had uitgemaakt en die daarom zo veel mogelijk blanke vrouwen wilde doden.

Is er dan een opvlamming van racistische ideeën gaande die de herleving van de racisme-angst kan verklaren? Racistische denkbeelden komen op grote schaal voor onder West-Europese moslims: velen van hen vinden joden niet te vertrouwen. Sommige jonge moslims voegen de daad bij het woord en vallen orthodoxe joden lastig.

Maar bij de algemene bevolking wijst onderzoek steeds weer op het tegendeel. Bij het laatste Europese Waardenonderzoek (2008) vond 95 procent van de Nederlanders dat je als immigrant volwaardig meetelt – het hoogste percentage van de 46 onderzochte landen. Nederlanders van niet-westerse herkomst worden in toenemende mate geaccepteerd, constateerde het SCP in 2013. Volgend jaar wordt Nederland misschien het eerste Europese land met een in Marokko geboren premier.

Uit het dit jaar gepubliceerde Unicef-onderzoek Fairness for Children bleek dat immigrantenkinderen in westerse landen minder gelukkig zijn dan hun autochtone landgenootjes. Met één uitzondering: in Nederland zijn immigrantenkinderen gelukkiger dan autochtone kinderen. Ze behoren daarmee tot de gelukkigste kinderen in de (westerse) wereld.

Racisme in Nederland

Dat Nederland in de ban is van een wijdverbreid racisme valt dus moeilijk vol te houden. Vanwaar dan die nieuwe golf van collectieve zelfkastijding met racistische zonden? Natuurlijk zijn de getalsverhoudingen veranderd: het aandeel mensen met een niet-westerse achtergrond is gestegen, evenals hun sociale status. Daardoor zullen zij zich minder geremd voelen om te klagen over racisme en zal naar die klachten beter worden geluisterd. Dit verschijnsel wordt wel aangeduid als de ‘integratieparadox’: juist als jonge allochtonen beginnen te stijgen op de maatschappelijke ladder, kunnen ze te maken krijgen met vooroordelen en uitsluitingsmechanismen.

Vormen van uitsluiting doen zich inderdaad voor op de arbeidsmarkt; dat werd nog eens aangetoond in het SCP-onderzoek Liever Mark dan Mohammed? (2010). Niet-westerse sollicitanten blijken zestien procent minder kans te hebben voor een sollicitatiegesprek te worden uitgenodigd dan gelijk gekwalificeerde autochtonen.

Maar in hoeverre gaat het daarbij om racisme? Daarover doet het SCP geen uitspraak. Discriminatie treft niet alle allochtonen in gelijke mate: het verschil valt deels weg als je corrigeert voor geslacht. Mannen hebben twintig procent minder kans voor een sollicitatiegesprek te worden uitgenodigd, vrouwen elf procent. Allochtone meisjes doen het op school veel beter dan jongens en maken zich nauwelijks schuldig aan criminaliteit.

Verder blijkt er bij hogere beroepen nauwelijks sprake van discriminatie. Een allochtone vrouw die solliciteert naar een managementfunctie heeft nauwelijks iets te vrezen. Niet iets dat je verwacht in een van racisme doortrokken samenleving.

Ook de integratieparadox biedt dus geen afdoend antwoord op de vraag waarom het beeld van een racistisch Nederland herleeft. Hier kom ik terug op de eerder aangehaalde episodes uit de emancipatiegeschiedenis van Joden en oude mensen. Een minderheidsgroep die bezig is zijn achterstandspositie in te lopen, is extreem gevoelig voor iedere mogelijke verwijzing naar zijn anders-zijn.

Na het verschijnen van Philomena Esseds boek over alledaags racisme gaf socioloog Vladimir Bina daarvan een kernachtige omschrijving. Essed doet denken aan Cyrano de Bergerac, schreef hij, de Franse toneelfiguur die meende dat anderen niets anders te doen hadden dan heimelijk zijn grote neus te bespotten. Aan het woord ‘zakdoek’ had Cyrano al genoeg om de spreker tot een duel uit te dagen.

Net als destijds ouderen en Joden, zijn nu Nederlanders met een niet-westerse achtergrond bezig aan een inhaalmanoeuvre op emancipatiegebied.

Lichtgeraaktheid

Zulke uitingen van lichtgeraaktheid laten zich goed omschrijven met het door de socioloog Cas Wouters ontwikkelde begrip ‘emancipatiekramp’: een hoogoplopende gevoeligheid die kenmerkend is voor de overgangstijd naar maatschappelijke gelijkstelling. Emancipatiekramp kan een verklaring bieden voor de huidige carrousel van ‘racisme’-affaires. Je zou ook kunnen spreken van frictie-gevoeligheid, een gevoeligheid die vanzelf verdwijnt als een nieuw evenwicht is bereikt in het zelfbeeld van de betrokken groepen.

Het is niet gebruikelijk de klachten over racisme te onderzoeken op dit soort verborgen achtergronden en motieven. Dat is opmerkelijk, want waarom zou dit domein van menselijk gedrag worden uitgezonderd van de kritische bevraging die overal elders vanzelf spreekt? Waarom wordt niet vaker onderzocht in hoeverre de subjectief naar voren gebrachte ervaring van racisme een objectieve grond heeft?

Vérgaande aanspraken op gevoelens van eer, trots en respect zijn misschien kenmerkend voor bepaalde culturen, maar zeker ook voor bepaalde fasen in het emancipatieproces. Zulke aanspraken zijn het kapitaal van degenen die machteloos waren en nu onderweg zijn van een wankel naar een evenwichtig zelfbeeld.

Emancipatie is een langdurig proces, dat niet gelijkmatig en lineair verloopt, maar met horten en stoten. Net als destijds ouderen en Joden, zijn nu Nederlanders met een niet-westerse achtergrond bezig aan een inhaalmanoeuvre op emancipatiegebied. Een oude dame die ik interviewde voor dat verhaal over ‘oudjes’ in 1985 had al precies in de gaten wat dat betekende. Zij zei: „Als straks een ander soort ouderen de meerderheid uitmaakt, zullen ze wie weet ook eerder lachen als er grapjes over hen worden gemaakt.”