Je probeert de fundering van de maatschappij te stutten

Zomeravondgesprek Procureur-generaal Herman Bolhaar lacht als hem wordt gevraagd of hij SP zou stemmen. Maar na een avond met SP-politica Sadet Karabulut zegt hij: „Op de SP niet direct, maar op haar misschien nog wel.”

Herman Bolhaar en Sadet Karabulut in de kelder van het hotel. Foto Lars van den Brink

Ze werken allebei in Den Haag. Hij is de hoogste baas van het Openbaar Ministerie, zij is fractielid van de SP. Ze stemden zonder veel nadenken in met een ontmoeting. Hij leek vooral nieuwsgierig, zij ietwat nerveus. „Ik weet niet wat ik moet verwachten”, zei ze door de telefoon.

Herman Bolhaar (60) arriveert als eerste. Hij heeft iets van de jonge Harrison Ford, zoals hij – gekleed in grijs pak met lichtblauw overhemd – met grote stappen het terras komt oplopen. Terwijl hij er al wel een lange dag op heeft zitten van vergaderen, vergaderen en vergaderen. Overleg met de minister, gesprekken met zijn directe medewerkers. „Over van alles”, zegt hij, bijna achteloos. „Van het Passageproces in Amsterdam tot onderzoek naar motorclubs en de kwestie rond de MH17.” Wat dat laatste betreft meteen maar een goed bericht: er zit schot in die zaak. „Het is een complex onderzoek, maar in dat feitenonderzoek schieten we wel op. Het wordt ingewikkeld, maar ik schat de kans serieus in dat er op een dag mensen in deze zaak veroordeeld worden. ”

Dus het gaat tot iets leiden?
„Ik denk het wel, ja.”

Sadet Karabulut verschijnt vijf kwartier na Bolhaar per taxi. „Het debat liep uit”, excuseert zij zich. „En ik had geen telefoonnummers van jullie bij me.” Ze zit nog vol adrenaline, want het zijn heel drukke dagen in de Kamer. Zeker nu vandaag ‘haar’ debat op de rol stond, over ‘fatsoenlijke werkplekken’ voor arbeidsgehandicapten. „Klijnsma, altijd gezellig”, zegt ze op wat cynische toon over de staatssecretaris van Sociale Zaken, die zij ooit de bijnaam ‘IJzeren Jetta’ gaf.

Na een korte fotosessie in de wijnkelder van het hotel vertellen ze dat ze elkaar hebben gegoogeld. „Er was bijna niets over hem te vinden!” roept Karabulut. Bolhaar: „Toen ik las dat je bij de gemeente Amsterdam hebt gewerkt dacht ik: ‘we hebben common grounds’.”

Karabulut (41) was vóór haar Kamerwerk coördinator drugsbeleid in de hoofdstad. „Ik deed een enquête op straat, bij een viaduct in de Fazantenhof. Daar werd gedeald door oude harddrugsverslaafden. Erger kun je het niet hebben in Nederland. In kelderboxen leefden mensen als beesten. Dat waren gewoon afwerkplekken. Maar we konden wel iets voor die mensen doen.”

Bolhaar: „Toen ik als hoofdofficier in Amsterdam begon, wist ik niet meer dan de gemiddelde Nederlander van Amsterdam weet. Ik kwam er niet zo vaak, want ik woon in Brabant. Ik wilde kennismaken met de stad, maar niet in het witte-wijncircuit. Job Cohen was destijds burgemeester. Ik vroeg: ‘Ken jij een paar mensen die ik als kennismaking zou kunnen spreken?’ Toen heeft hij een lijst laten opstellen, met uiteenlopende vertegenwoordigers van verschillende aspecten van de Amsterdamse samenleving. De voedselbank, buurtwerkers, Marokkaanse netwerken, orthodox-joodse kringen. Maar ook de stichting Querido. Ik dacht aanvankelijk dat het een uitgeverij was. Toen we ernaar toe reden vond ik het vreemd dat zo’n grote uitgeverij in zo’n klein zijstraatje zat. Totdat ik zag staan: HVO Querido, dak- en thuislozen. Ik ontmoette er mensen die wilden terugkeren naar het normale leven. Ze vertelden hoe rot ze het vonden om te worden aangehouden voor openstaande boetes, terwijl ze net hun leven weer een beetje op de rit hadden. ‘Kunt u daar niet iets aan doen’, vroegen ze. Ik zei: als jullie in dit huis blijven wonen, niet gaan zwerven, geen rare dingen doen en geen vergrijpen plegen, ben ik bereid die boetes on hold te zetten. Maar als het wél misgaat is het meteen raak. Het was een risico, maar het is echt voor een behoorlijk eind gelukt.”

closeportretten

Robert M.

De ober komt binnen en vertelt wat er op het menu staat: tonijn, gamba, mango, kabeljauw met Oosterschelde kreeft. Als hoofdgerecht: entrecôte met rodewijnjus. De ober is nog niet uitgesproken of Bolhaar vervolgt zijn betoog. Hij zegt dat er ‘enorm veel’ is veranderd in de opsporing. Vroeger lag het accent volledig op de dader. Nu speelt het slachtoffer een veel grotere rol. Bij de grote zedenzaak rondom Robert M., de man die in 2012 werd veroordeeld voor seksueel misbruik van bijna zeventig kinderen, realiseerde hij zich voor het eerst hoe groot de impact van misdrijven op slachtoffers kan zijn. „Avond aan avond heb ik, samen met burgemeester Van der Laan en korpschef Welten, honderden radeloze ouders in de zaal zien zitten. Opeens realiseerde ik me: zo ziet die geschokte rechtsorde er dus uit.”

Het was Bolhaar zelf die besloot dat de foto van Robert M. 72 uur na zijn aanhouding verspreid moest worden, zonder balkje voor diens ogen. „De impact van de zaak was groot. Veel mensen zeiden: wie is het? En er was het opsporingsbelang. Wij wilden weten: is deze meneer bij u thuis geweest?”

Karabulut: „Wat een indringende zaak om aan te werken.”

Bolhaar: „Ja, zoiets slokt je wel op.”

Of Karabulut ook zulke absorberende zaken meemaakt? Ze schudt het hoofd. „Zó intens niet, maar in Den Haag word je per definitie geleefd. Het zijn nu turbulente tijden met grote vraagstukken, ingewikkelde onderwerpen. De spanning op de samenleving is de afgelopen jaren toegenomen. Buitenlandpolitiek is binnenlandpolitiek geworden. Vorige zomer hadden we de Griekse crisis, IS en de genocide op de Jezidi’s. Daarvóór was het Palestina. ”

In het begin van haar Kamertijd liep ze mee in een Palestinademonstratie, samen met onder meer Harry van Bommel. Dat zal ze nu niet snel meer zo doen. „Ik liep toen mee omdat ik het recht op verzet belangrijk vind. Maar ik heb toen ook gezien dat dat verkeerd kan uitpakken. Een uur na de demonstratie kreeg ik allemaal boze sms’jes. We zouden antisemitisme hebben goedgekeurd. Er waren inderdaad jongeren bij die dingen riepen. Ik kan me herinneren dat ik hun daar juist op aansprak.”

Jullie riepen wel: ‘Intifada, intifada’. Intifada is een beladen woord.
Ze knikt. „Dit was een les. Alles wat je als publiek figuur doet kan uitvergroot worden.” Ze merkte het ook bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander in 2013, toen zij als republikeins Kamerlid weigerde de eed van trouw af te leggen. „Ik kreeg zó veel heftige reacties. ‘Wie denk je wel niet dat je bent, ga terug naar je eigen land!’ Natuurlijk doet het Koningshuis goede dingen, maar waarom zou ik niet kunnen zeggen dat ik republikein ben?”

Als de kabeljauw wordt opgediend vertelt Bolhaar over zijn jeugd op de Veluwe. Hij groeide op in een katholiek gezin met twee jongere broers. Zijn vader had een garagebedrijf. „Een technische man met gouden vingers en een groot vermogen om met mensen om te gaan. Iedereen zat bij ons aan de keukentafel, van handelaren die scharrelden op de tweedehandsmarkt tot politiemensen die op zoek waren naar een nieuwe surveillanceauto. Ik zag hoe mijn vader dat deed. Daar komt mijn neiging tot contact leggen waarschijnlijk vandaan.”

Karabulut: „Wie waren je jeugdvrienden?”

Bolhaar: „Grappig dat je dat vráágt. Ik had veel jeugdvrienden van wie de vaders beroepsofficier waren. Aanvankelijk wilde ik zelf ook beroepsofficier worden. Ik ging naar de KMA, maar na een paar maanden kreeg ik een kostschoolgevoel van dat uniform. Toen ben ik maar rechten gaan studeren. Eerst als reddingsboei, later begon de materie mij echt te interesseren.”

Karabulut was de jongste in een gezin met vijf kinderen, vertelt ze. Een kind van fabrieksarbeiders, van arbeidsmigranten. „Mijn vader is eind jaren zestig naar Nederland gekomen, mijn moeder kwam pas in 1974, samen met mijn zus. Toen was ze zwanger van mij. Ik ben hier geboren. Wat ik me heel scherp herinner zijn de cassettebandjes die ze elkaar stuurden. Gesproken boodschappen van mijn vader aan mijn moeder.” Toen Karabuluts broer zich als laatste bij het gezin voegde, moest zij erg wennen. „Hij vond mij erg brutaal. Ik dacht: waar bemoei jij je mee?”

Haar zussen en broer hebben allemaal een goede baan. De één werkt in de IT, de ander in de jeugdzorg, weer een ander bij een departement. „Leren was belangrijk voor mijn ouders. Ze hebben zó vaak gezegd: hadden wij maar de mogelijkheid gehad om cursussen te volgen. Terwijl ik trots ben op mijn ouders. Er is niks mis met een fabriek. Mijn vader was een van de eerste gastarbeiders die lid werd van een vakbond en in de OR zat. Dat heeft hij allemaal zelf gedaan.”

Ze hadden het niet arm thuis, zegt ze. „Er werd heel goed voor mij gezorgd. Wij woonden in een flatje. Van vriendinnen die in een rijtjeshuis woonden, dacht ik: die hebben vast héél veel geld thuis. Ik denk wel dat ik in die tijd mijn gevoel voor rechtvaardigheid heb ontwikkeld.”

Had je ook bij een andere partij kunnen belanden?
Stellig: „Nee! De SP was het meest linkse wat ik kon vinden.”

„Heb je dat altijd gehad?”, vraagt Bolhaar, bijna verbaasd.

Karabulut: „Ja, dat zit in me. Ik heb wel op GroenLinks gestemd, in de tijd van Paul Rosenmöller. Ze waren echt links in die tijd. Dat veranderde toen onder Femke Halsema de neoliberale elementen kwamen. Bram van Ojik heeft de sociale koers weer ingezet. Ik hoop dat dat onder Jesse Klaver wordt doorgezet. De partij staat in principe dicht bij ons, maar voor mij persoonlijk niet meer.”

Bolhaar: „Voor een deel voel ik met Sadet mee. Ik zit niet aan een partij vastgeklonken, maar stem wel op sociaal geëngageerde partijen. Ik kom uit een CDA-milieu. Ik heb er vaak op gestemd, maar heb geen vast stemgedrag. In zijn algemeenheid geldt voor mij: eerder ter linkerzijde dan ter rechterzijde. Eerder Pvda of D’66 dan VVD.”

Of hij op de SP zou kunnen stemmen? Bolhaar schiet in de lach: „Dat geloof ik niet zo. Al kan er in een avond veel veranderen, hè. Ook bij de SP zie ik verbindende principes. Solidariteit, betrokkenheid bij wat er op wijk- en buurtniveau gaande is. Sociale cohesie. Mijn vader had ook Molukse werknemers in zijn garagebedrijf. Dat was wennen, maar je deed het met elkaar. Daar word ik nog steeds vrolijk van. Er gebeuren echt goeie dingen op straathoekniveau. Strafrecht is erop gericht de zwakkeren te beschermen. Je probeert de fundering van de maatschappij te stutten, en in actie te komen waar die wordt ondergraven.”

Karabulut: „Maar die stroom is toch gigantisch? Lodewijk Asscher zegt: doe aangifte. Vervolgens zie je dat niet iedereen dat doet, omdat men niet gelooft dat daar echt iets mee gebéurt. Het aantal zaken staat in geen verhouding tot het aantal vervolgingen. Hoe ga je daar als OM mee om?”

Bolhaar: „De enige manier om die roep om handhaving ook kracht bij te zetten, ZSM: zo snel mogelijk. Discriminatie in de dagelijkse leefomgeving moet je bijvoorbeeld direct oppakken. Ik kreeg een klacht binnen van rabbijn Lody van de Kamp. Hij was rond 5 mei in Amsterdam West de buurt ingelopen met een keppel op. Jongens op straat brachten hem de Hitlergroet en hij had aangifte gedaan. Die aangifte belandde in een bureaula. Na een jaar beklaagde hij zich bij mij dat een reactie van het OM uitbleef. Ik heb hem uitgenodigd voor een gesprek, want ik schaamde me daar voor. Hij vroeg alleen maar: ‘kun je mij helpen in contact te komen met die jongens?’ Dat is uiteindelijk gebeurd. Hij heeft die jongens meegenomen naar het Anne Frank Huis. Ze schrokken zich kapot. Hij vertelde me dat daarna. Ik vroeg: ‘wat kan ik nog meer doen?’ Hij zei: ‘doe er niks mee, maar spreek de jongens gewoon nog een keer flink toe’. Zo is dat vervolgens gegaan.”

details

Bedreigingen

Karabulut vertelt dat ze ook last heeft van bedreigingen en laster, vooral via sociale media. „Zoals dat bij iedere politicus inmiddels normaal is geworden. En je krijgt steeds vaker te maken met de lange arm van Erdogan.”

De lange arm van Erdogan?
„Zo voelen mensen dat. Schrikbarend veel Nederlanders voelen zich door hem geïntimideerd.”

Dan komt het gesprek op Selçuk Öztürk en Tunahan Kuzu van DENK, die filmpjes op Facebook zetten over het stemgedrag van allochtone Kamerleden over de Armeense genocide en de beveiliging van moskeeën. Heeft Karabulut als Kamerlid met een Turks-Koerdische achtergrond ook het gevoel dat zij in de gaten wordt gehouden? Ja, zegt zij. En ze kan zich daar behoorlijk over opwinden. „Als je mensen beschuldigt, ga dan het debat aan. Maar het is Özturk en Kuzu niet te doen om het debat of de dialoog, ze willen collega’s aan de schandpaal nagelen. Dat vind ik gevaarlijk, want daarmee drijven ze een zeer gevoelig onderwerp in de Turks-Nederlandse gemeenschap op de spits. Met hun acties kunnen zij tot haat aanzetten.” Voor het eerst in het gesprek verheft ze haar stem. „Vrije meningsuiting is een van de hoekstenen van ons rechtsstelsel. DENK probeert een mening op te dringen. En dat niet alleen, ze proberen daar ook nog een achterban in mee te krijgen en voeden daarmee de polarisatie. Ze zetten ons als verraders neer. ‘Armeniër’ is voor hen een scheldwoord. Ik zou DENK willen uitdagen het debat aan te gaan.”

Ze wil de maatschappelijke problemen die DENK benoemt niet bagatelliseren. Ook zij maakt zich zorgen over het feit dat kinderen van migranten tot in lengte der dagen als ‘de ander’ worden neergezet of behandeld. „Dat zijn zeker reële thema’s, maar die los je niet op met segregatie.”

Begrijp je dat Sylvana Simons zich bij DENK heeft aangesloten?
„Ik zal het in principe altijd voor Sylvana opnemen wanneer zij wordt beschimpt, maar dit had ik totaal niet verwacht. Diversiteit en anti-racisme, dat is echt niet te combineren met zo’n club. Ik ben benieuwd hoe het zich gaat ontwikkelen. Na die vreselijke aanslag in Istanbul van vorige maand, zei Kuzu dat hij het een geweldig gebaar vond dat op verschillende stadhuizen in Nederland de Turkse vlag halfstok werd gehesen. Het ‘DENK-effect’, noemde hij dat. Dat is toch niet ethisch?”

Het begint al te schemeren als de ober aardbeien serveert. Karabulut en Bolhaar constateren tot hun eigen verbazing dat ze de hele avond nog niet één keer op hun telefoon gekeken hebben. „Al heb ik er wel aan zitten denken”, bekent Karabulut. Ze heeft haar telefoon nooit uitstaan. „Maar als ik op vakantie ben dan kijk ik minder vaak. Af en toe op mijn telefoon kijken geeft rust. Het hoort er voor mij bij.”

Bolhaar vertelt dat hij een lange periode zonder telefoon achter de rug heeft. Noodgedwongen. Een half jaar geleden werd hij plotseling gekweld door ondraaglijke hoofdpijn, ‘van de ene seconde op de andere’. In het ziekenhuis werd een ernstige hersenvliesontsteking geconstateerd. „Twee dagen nadat de hoofdpijn was begonnen, lag ik aan de morfine en het infuus.”

Bolhaar lag weken in het ziekenhuis en was daarna nog maanden uit de roulatie. Heel voorzichtig begon hij na een tijdje weer wandelingen door de buurt te maken, als een oud mannetje voorzichtig zijn weg zoekend. „Dat was voor mij een volstrekt nieuwe ervaring. Als ik met de hond op straat liep vroegen mensen: ‘hoe is het met je?’ Dat had ik nog nooit meegemaakt. Ik ben ’s morgens meestal vroeg weg en ’s avonds laat thuis. Ik kom niet zo veel mensen tegen. Vakmatig ben ik van de verbinding en de interactie, maar privé blijkbaar niet. Het was echt een ontdekkingstocht. Ik liep door het dorp en dacht: ‘hé, een nieuwe winkel’. Terwijl die al een paar jaar geleden bleek te zijn geopend. Die ervaring heeft me aan het denken gezet. Ik merkte dat ik gewoon mijn mobiel uit kon zetten. Dat is een interessante ontdekking. Uit zelfoverschatting denk je dat het totaal misloopt als je weg bent. Maar ze bleken het prima zonder mij te kunnen. Dat is een leerzame en ontnuchterende ervaring. Ik heb veel steun gehad, thuis en van mijn organisatie. Ik kreeg bakkenvol kaarten, de bloemen bleven maar binnenkomen. Mensen schreven dat ze me misten. Dat heeft mij verreweg het meest geraakt.”

portrettenindekelder

Ernstige ziekte

Het was de tweede keer in korte tijd dat Bolhaar met ernstige ziekte binnen de familie te maken kreeg. Bij Roderick, de oudste van zijn twee zoons, werd twee jaar geleden Hodgkin, een zeldzame vorm van lymfklierkanker, vastgesteld. Het zette Bolhaars bestaan totaal op zijn kop. „Het is heel aangrijpend om je kind aan de chemo te zien liggen en te zien vechten voor zijn leven. Ik kon niet veel meer doen dan er te zijn, samen met mijn vrouw Nicole.”

Heeft het de relatie met je zoon veranderd?
„Die is veel persoonlijker geworden. Ik zie ons nog teruglopen na een van de chemokuren naar Amsterdam-Zuid. Roderick zei: ‘Goh, zie ons hier nou eens lopen. Wat was onder normale omstandigheden nou de kans geweest dat wij met z’n tweetjes op een doordeweekse middag samen door Amsterdam zouden lopen?’”

Karabulut: „Wat denk je op zo’n moment? Dat lijkt me zo confronterend.”

Bolhaar, merkbaar geëmotioneerd: „Je voelt: we zijn er voor elkaar. Dat is het belangrijkste. Je loopt daar sámen.”

Karabulut zegt dat ze met Bolhaar meeleeft. „Je kind ziek en jij zelf ook nog. En dan de veerkracht vinden daar goed mee om te gaan en er misschien zelfs sterker uit te komen: dat maakt indruk.” Zelf heeft ze een dochter van bijna drie en een zoon van vijf. Zij zijn haar ‘allesjes’ zegt ze. „Je realiseert je door zo’n verhaal dat gezondheid zó belangrijk is. Mijn dochter heeft nu een gebroken sleutelbeentje, dat vinden we al heel wat.”

Zijn zoon is inmiddels genezen verklaard, zegt Bolhaar. „Hij heeft twee columns voor nrc.next over zijn ziekte geschreven. Zo authentiek en ontwapenend. Ik ben er diep van onder de indruk hoe hij met die ziekte is omgegaan.”

Karabulut: „Heftig hoor.”

Bolhaar, opnieuw aangedaan: „Zonder elkaar hadden we het niet gered. Dat is een onbeschrijfelijke ervaring.”

De stilte die valt is lang en geladen. Buiten is het inmiddels helemaal donker.

De volgende ochtend verschijnt Bolhaar als eerste in de eetzaal. Hij oogt opgewekt, bestelt een smoothie en praat over de „korte heftige trips” naar Maleisië, Australië en Oekraïne die hij voor het onderzoek naar de MH17-ramp maakte. Vaak sliep hij slecht op al die hotelkamers. „Maar vannacht heb ik heerlijk geslapen.”

Dan verschijnt Karabulut, ze heeft kort geslapen. Te kort. „Maar ik neem gewoon wat extra koffie, dat ben ik gewend.”

Hoe ze terugkijken op de avond? „Je achtergrond en je thema’s spreken me geweldig aan”, zegt Bolhaar. „ Ik spreek graag mensen die weten wat er in de wereld gaande is. Daar ben ik nog lang niet achter hoor, wat er in de wereld gaande is.”

Karabulut zegt dat ze altijd al een groot vertrouwen in de handhaving van de rechtsstaat had en dat het gesprek haar nóg maar meer vertrouwen heeft gegeven.

Bolhaar: „Dankjewel. In mijn vak doe je het niet snel goed.”

Karabulu: „Ook omdat je snel beslissingen moet nemen.”

Bolhaar: „In mijn Amsterdamse periode was er een serieuze dreiging van een bomaanslag op het Ikea-terrein in Amsterdam-Zuidoost. In alle vroegte kwam de driehoek voor crisisberaad bijeen. Uiteindelijk heb ik opdracht gegeven tot een flink aantal invallen met arrestatieteams. Dat is nogal wat. Vooral omdat er geen bewijs uit kwam. Uiteindelijk bleef er niks van over. Maar als je niets doet, heb je dan het gevoel dat iedereen veilig kan winkelen die dag? Die gedachte schoot door mijn hoofd: als iemand van mijn familie nou belt met de mededeling dat-ie meubels gaat halen bij Ikea, zeg ik dan ‘tot vanavond?”

Karabulut: „Ik begrijp je dilemma. Fouten kun je je niet permitteren. Als het misgaat, heb je iets niet goed gedaan, maar als je voortdurend binnenvalt bij mensen die onschuldig zijn, dan doet dat ook veel kwaad. Het is heel delicaat.”

Bolhaar: „Daarom moet je die beslissingen ook nooit alleen nemen. Dat leren ze op de opleiding. Je moet een bellijstje hebben in je telefoon. Ook al moet je binnen een half uur beslissen, dan heb je dus toch een half uur om advies te vragen.”

Ze zouden nog uren met elkaar kunnen doorpraten, maar Bolhaar heeft een dag vol besprekingen en Karabulut wacht opnieuw een Kamerdebat. „Het was echt een mooie ontmoeting”, besluit Bolhaar. Zou hij nu misschien wél op Karabulut stemmen? „Op de SP niet direct, maar op haar misschien nog wel.” Zij lacht uitbundig. „Daar doe ik het voor.”