Jasmijn

Van De Vos (10)

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

Illustratie Cyprian Koscielniak

De Leeuw en De Wolf naderen de vinexwijk waar De Vos woont. De Wolf schrikt van de gelijksoortige gevels, van de uniforme huisdeuren, van de keurig aangeharkte voortuintjes en voelt medelijden met De Vos. Nog niet zo lang geleden hadden ze veel plezier samen, in de Wildernis. Hun gemene streken waren befaamd. Wat is er toch met De Vos gebeurd?

„Hier is het”, zegt De Wolf. Hij wijst op de display van zijn iPhone en vervolgens naar het appartementencomplex. „Nummer 61.” De Leeuw loopt als eerste de trap op. Voor de deur van De Vos gebaart hij dat De Wolf moet verdwijnen. „Het is beter als ik alleen ben. Wacht buiten maar op me.” De Wolf had niet anders verwacht. Hij slaat de hoek om en leunt tegen de gelige stenen.

Wanneer de bel gaat, zit De Vos achter zijn laptop. Hij leest een mail van zijn ex, ze heeft dringend geld nodig. De Vos denkt na, ook hij zit krap, het spaargeld is nagenoeg op. Misschien kan hij zijn hypotheek oversluiten, door de negatieve rente is een flexibele hypotheek wellicht lucratiever?

De Vos loopt naar de deur. Door het kijkgaatje ziet hij De Leeuw staan. De Leeuw! Snel doet hij open. De Leeuw ziet de angstige blik op het gezicht van De Vos. Zouden de anderen dan toch gelijk hebben? „De Vos! Mag ik binnenkomen?”

De Leeuw neemt plaats op de tweezitsbank. „Ruik ik hier wierook?” De Vos loopt naar het keukenblok. „Thee?” Daar heeft De Leeuw wel zin in. „Welke smaken heb je?” De Vos noemt de zeven soorten die hij in huis heeft. De Leeuw kiest voor Jasmijn. „De Vos, het is goed om je weer eens te zien!”

De Vos pakt de bureaustoel en gaat tegenover De Leeuw zitten. De schrik zit nog in zijn lijf. De Leeuw neemt het woord. „Laat ik er niet omheen draaien, De Vos. De Wildernis is op drift geraakt. Mijn adviseurs zitten met de handen in het haar, dus ik dacht aan jou. Jij bent de Koning van de Wildernis, jij kunt mij vertellen wat er aan de hand is.”

De Vos neemt een slokje van de thee. „Ik wás de Koning van de Wildernis. Al is koning een te groot woord.” „Voor bescheidenheid hebben we nu geen tijd, De Vos. Vreemde invloeden, daar hebben mijn adviseurs het steeds over. Weet jij iets van die vreemde invloeden?”

De Vos zegt dat hij geen idee heeft. Maar hij is de laatste tijd niet in de Wildernis geweest. „Rode ogen, heb je wel eens rode ogen gezien in de Wildernis?” Nee, dat heeft De Vos niet. Rode ogen? Zijn z’n zoontjes in gevaar?

„Waarom kom je niet naast me zitten?”, oppert De Leeuw, „dat is toch veel gezelliger. En ik ruik toch echt wierook. Lekker. Iets zegt me dat je mediteert. Klopt dat?”

Opeens begint De Vos te huilen. De Leeuw staat op en slaat een arm om hem heen. Met zijn andere hand kroelt hij voorzichtig door het haar van De Vos. Dat is zachter dan hij dacht.

Wordt vervolgd