Het weefsel van de Europese integratie kan ontrafelen

Is dit de tijd om ‘Europa’ af te dwingen, of is pragmatisme het beste antwoord? Terwijl de Europese Unie nog natrilt van de schok van het Britse ‘nee’, doemen nieuwe problemen op. De Italiaanse banksector zucht onder het formidabele bedrag van 360 miljard euro aan slechte, oninbare leningen. Nieuwe Europese regels met betrekking tot de Bankenunie, die met grote moeite overeen zijn gekomen, vergen dat aandeelhouders en andere financieel betrokkenen het geld ophoesten dat nodig is voor een herkapitalisatie. Zo moet een herhaling van de eurocrisis worden voorkomen, toen staten zelf in problemen kwamen omdat zij hun banken redden. Maar Italië ligt dwars: de regering-Renzi vreest een opstand als de Italiaanse burgers die aandelen en obligaties in hun banken bezitten, verlies lijden. In september is er in het land een referendum over de grondwet, dat makkelijk kan verkeren in een stem over de regering zelf, of zelfs de Europese Unie.

De vraag is of deze nieuwe regels moeten worden afgedwongen. Dat geldt ook voor de begrotingsboetes die de Europese Commissie wil uitdelen aan Spanje en Portugal. Het zou de eerste keer zijn dat, in het kader van het Stabiliteitspact, daadwerkelijk sancties volgen. Maar het Pact sneuvelde in praktijk al tien jaar geleden, toen uitgerekend Duitsland en Frankrijk voor het eerst het Pact met een te hoog begrotingstekort aan de laars lapten. Sindsdien zijn er talloze gelegenheden geweest om de ultieme sanctie, de geldboete, aan lidstaten op te leggen. Als de Europese Commissie nu Spanje en Portugal voor het eerst een boete oplegt, riskeert zij een politieke en publieke tegenreactie, net als in Italië.

Tegelijkertijd grijpen lidstaten de mogelijkheid aan om taken van Brussel terug te halen naar de nationale hoofdsteden. Dat gebeurt nu bijvoorbeeld met de onderhandelingen over het Ceta-vrijhandelsverdrag met Canada. Daardoor dreigt dit verdrag, nu alle lidstaten zich er actief mee gaan bemoeien en er hun oordeel over uitspreken, er niet van te gaan komen. Hetzelfde geldt voor de veranderingen van de zogenaamde ‘detacheringsrichtlijn’. Die zijn er voor bedoeld om te voorkomen dat werknemers uit Oost-Europa ver onder het loonniveau aan de slag gaan in het Westen van de EU, zoals nu het geval is. De Oost-Europese lidstaten hebben echter al een ‘gele kaart’ getrokken waarbij zij aangeven dat dit wetgeving is die in de hoofdsteden, hun hoofdsteden, thuishoort.

Beide onderwerpen onderstrepen juist dat dit soort thema’s bij uitstek op een communautair niveau thuishoort. Handelsonderhandelingen zijn niet te voeren met 28 (of 27) verschillende deelnemers aan één kant. Arbeidsvoorwaarden in de gehele EU kunnen alleen gezamenlijk worden geformuleerd. Maar ook hier geldt: de burger dreigt zich tegen de EU te keren als hij er zelf geen zeggenschap in krijgt. Verdragen als TTIP (met de Verenigde Staten) en Ceta liggen zeer gevoelig. De concurrentie, danwel de ontplooiingsmogelijkheden van Oost-Europese werknemers ook.

Het wordt uitermate ingewikkeld om bij deze vier onderwerpen, de banken, de begroting, de handel én het verkeer van werknemers, een koers te varen die zowel de competentie van ‘Brussel’ waarborgt als de toenemende nationale gevoeligheden over Europese integratie erkent. Als de Commissie op haar strepen gaat staan, riskeert zij een heftige reactie op nationaal niveau. Geeft zij teveel toe, dan ontrafelt het weefsel van de Europese integratie. De crisis van Europa is nog lang niet over.