‘Globalisering is het water waarin we zwemmen’

Interview Jim Yong Kim Sinds 2012 is hij president van de Wereldbank. Onder zijn leiding worden onderwijs en gezondheidszorg het antwoord op de snel veranderende wereldeconomie.

Ruim twintig jaar geleden protesteerde Jim Yong Kim nog tegen de Wereldbank, vooral omdat die zich te veel richtte op harde economische recepten en niet genoeg aandacht besteedde aan de menselijke maat. Nu is Kim, van oorsprong bioloog en antropoloog, al vier jaar president van het instituut – de eerste zonder achtergrond in financiën of economie. Hij was voor president Obama de ideale kandidaat, nog los van zijn kwalificaties: de kritiek dat de Amerikanen altijd een landgenoot aan het hoofd van de Wereldbank hebben werd gemitigeerd door Kims dubbele achtergrond: zijn ouders emigreerden begin jaren zestig uit Zuid-Korea naar de Verenigde Staten. Vorige week was hij in Nederland, onder meer voor een bezoek aan minister Ploumen (Internationale Handel en Ontwikkelingssamenwerking, PvdA).

De Wereldbank, samen met het IMF opgericht in 1944, moest na de Tweede Wereldoorlog helpen bij de wederopbouw van Europa. Door de decennia heen evolueerde de bank tot een instituut dat ontwikkelingslanden helpt bij de opbouw van hun economie en het bestrijden van armoede. Op de achtergrond was er voortdurend de drijvende kracht van de globalisering: het vervagen van de grenzen en de verandering van de wereldeconomie in de richting van één markt. Dat proces lijkt nu te stokken. En dat verandert de rol van internationale instituten als de Wereldbank.

Staan we voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog voor een periode van fragmentatie, in plaats van globalisering?

„Laat ik beginnen met mijn persoonlijke geschiedenis. Toen ik in 1959 werd geboren in Zuid-Korea was dat een van de armste landen in de wereld. In 1964 emigreerde ik met mijn ouders naar de VS, als oorlogsvluchtelingen. Iederéén wil deze ervaring: de mogelijkheid van een leven in de middenklasse. Om een betere toekomst voor hun kinderen te krijgen dan zij zelf hadden.

„Ik groeide op in Iowa, in Muscatine, een stadje van 20.000 inwoners, waar toevallig de huidige Chinese president Xi Jinping in de jaren tachtig drie weken doorbracht tijdens zijn studie. Als ik hem tegenkom, dan hebben we het er vaak over. Ik kan u vertellen dat de overgrote meerderheid van mijn toenmalige klasgenoten boos is, en Donald Trump steunt. Zij denken dat er iets moet veranderen en dat komt vooral doordat hun levens niet noodzakelijkerwijs beter zijn dan die van hun ouders, en doordat ze zien dat hun kinderen ook geen betere mogelijkheden krijgen dan zij. Het is de middenklasse in de industrielanden niet zo goed afgegaan in het tijdperk van de globalisering.

„De reactie is volledig voorspelbaar. Natuurlijk wil iedereen een beter leven. Dat is waarom mensen migreren naar het Verenigd Koninkrijk, naar Nederland, naar de Verenigde Staten. Maar de middenklasse in die landen zegt: en wij dan? Ons leven zou beter worden, maar dat gebeurt niet. Dat gevoel van ongeluk, en in zekere zin van verraad, heeft dus een fundament.

„Veel van de proteststemmen die je nu ziet in Europa en de VS zijn van mensen die doorhebben dat ze niet voorbereid zijn op de onzekere toekomst. Hoe kan ik, als werknemer, concurreren met werknemers uit andere landen? Laten we de grenzen sluiten en de concurrentie buiten houden. Maar concurrentie en globalisering zijn geen keuzes. Ze zijn het water waar we in zwemmen, de wereld waarin we leven. Als de VS en andere landen hun grenzen sluiten en tarieven gaan heffen op import uit landen als China, dan zou de kwaliteit van leven juist voor arme mensen dramatisch dalen. Want een van de redenen dat hun kwaliteit van leven toch toegenomen is, zijn juist de goedkope goederen uit deze landen als China. Het is geen kwestie van het stoppen van de globalisering. Het is een kwestie van het begrijpen van globalisering.”

Meer en beter werk, zeggen economen dan.

„Ik had laatst een diner met tal van bekende economen, van Adam Posen tot Larry Summers, en daar kwam de vraag aan bod wat de oorzaak is van de stagnatie van de wereldeconomie. Iedereen zei: we hebben nieuwe technologieën nodig om de productiviteit te verhogen. Kunstmatige intelligentie, robotisering, 3d-printen, biotech. Maar is dat een manier om werk te creëren voor deze middenklasse? Dat is het in feite niet. Dit zijn geen industrieën die enorm veel werk genereren. Dus wat moeten die laagopgeleide mensen in de middenklasse gaan doen?

„En dan de ontwikkelingslanden. Dat is zelfs zorgwekkender. Landbouw zal kapitaalintensiever worden, met meer inzet van kapitaal en technologie. Hightechproductie in het Westen komt in de plaats van arbeidsintensieve productie in ontwikkelingslanden. Deze ontwikkeling kunnen we niet negeren. Wat moet iedereen gaan doen, waar zijn de banen?

„Wat fundamenteel veranderd is, is dat iedereen weet hoe alle anderen leven. En iedereen in de wereld wil een kans maken op een plek en levensstijl van de middenklasse. Dat gaat niet weg. Daarom moeten we oplossingen hebben. Motoren voor economische groei. Zodat men wil blijven waar men geboren is, omdat er dáár kansen zijn. Dat is wat wij bij de Wereldbank willen doen. Wij werken in die zin óók voor Nederland. Dat wil ik duidelijk maken.

„De oplossing is: een eind maken aan extreme armoede in de wereld en het bevorderen van gedeelde welvaart. Het eerste, het bestrijden van armoede, is relatief overzichtelijk. Het tweede is een stuk moeilijker. Het is geen geheim meer hoe de anderen leven. Hoe arm je ook bent, je kunt een smartphone hebben en het daarop zien. Natuurlijk zeg je dan: dat wil ik ook.”

Er is dus een gemeenschappelijk probleem. Maar is er ook een gemeenschappelijk antwoord?

„Amartya Sen, de voormalige topeconoom van de Wereldbank en Nobelprijswinnaar, zegt: de landen met de meeste welvaartsgroei zijn de landen die het meest investeren in gezondheid en scholing. Dat verband is er. Tussen 2000 en 2011 was volgens de econoom Larry Summers 24 procent van de toename van inkomens toe te rekenen aan aan betere gezondheid. Pisa-scores voor de kwaliteit van onderwijs (OECD) hebben een direct verband met economisch succes.”

Als je niet in mensen investeert, zijn ze niet voorbereid op de economie van de toekomst. Omdat het pad naar economische groei nu kronkelt en we niet weten waar we over vijftien of twintig jaar staan, zeg ik tegen alle staatshoofden en ministers van financiën die ik ontmoet dat de enige infrastructuur waarvan je zeker bent dat hij nodig zal zijn, de ‘grijze materie’ is. Beoordelingsvermogen, intelligentie en leervermogen zullen altijd relevant zijn.

De gevolgen van achterstand zijn in ontwikkelingslanden keihard. Een goed voorbeeld is het zogenoemde childhood stunting [belemmerde groei]. Waar je ter wereld ook geboren bent: als je goede voeding hebt en er wordt goed voor je gezorgd, groei je 25 centimeter in je eerste jaar en 12 centimeter in je tweede jaar. Elk kind, waar ook ter wereld, heeft daarvoor de genetische aanleg. Maar je ziet schokkende voorbeelden van de praktijk. Ik kom net uit India. Daar haalt 38,7 procent van de kinderen deze groei niet. Pakistan: 45 procent. Democratische Republiek Congo: 70 procent. De hersenen van deze kinderen ontwikkelen zich niet ten volle. Ze zijn letterlijk kleiner, met minder verbindingen. Je kunt het zien met een MRI-scan. 25 procent van alle kinderen in de wereld hebben heeft dit. Gegeven het feit dat landbouw minder arbeidsintensief wordt, en gegeven het feit dat de maakindustrie terugkeert naar het Westen: wat moeten deze kinderen later gaan doen? Childhood stunting is altijd een probleem geweest, maar er was in ieder geval altijd laagwaardige arbeid voor handen.

Hoe moeten landen als India de toekomst in met een bevolking waarvan zo’n hoog percentage mentaal onderontwikkeld is? Dat probleem gaan we te lijf. In Peru is het al gehalveerd. En we gaan voortaan elk jaar de ‘stunting levels’ publiceren voor alle landen.

Wat verwacht u daarvan?

Als we dynamische, welvarende samenlevingen kunnen bouwen, die wegen hebben, onderwijs en goede gezondheidszorg en de kans op goed werk – als we dat kunnen doen in alle landen van de wereld, dan denk ik dat mensen daar willen blijven. In Afrika, in Latijns-Amerika, in Syrië, iedereen is verbonden met zijn land. Mensen zouden het geweldig vinden om in welvaart te leven waar zij geboren zijn.

De econoom Thomas Piketty beschrijft dat kapitaal altijd sneller groeit dan de lonen stijgen, en dat dit de basis is voor groeiende ongelijkheid. Maar hij stelt ook dat het enige dat dit proces tegenhoudt de verspreiding van kennis is. Dat is wat wij bij de Wereldbank willen bevorderen. De verspreiding van kennis, en de verspreiding van kapitaal. En in dat proces de vaardigheden en scholing van mensen verbeteren. Is dat niet waar wij voor uitgevonden zijn? Om het mondiale kapitalisme te laten werken voor de armen?

Omdat er geen alternatief is?

Welk alternatief? Zelfs landen als Vietnam en China beseffen dat dit het beste systeem is. Het streven naar gelijke uitkomsten werkt niet, en heeft niet gewerkt, dat leert de geschiedenis. Maar je kunt wél zorgen voor gelijke kansen. Dan kan je een wereld maken waarin meer en meer mensen hoop voelen. Dat zij een beter leven kunnen hebben, en hun kinderen een nóg beter leven.”