Geheugen en criticaster van Volksgezondheid

Franz Trautmann (1953 - 2016) was drugs-onderzoeker en de verpersoon-lijking van het Nederlandse drugsbeleid.

Franz Trautmann

Eigenlijk had hij Czernuška moeten heten, want zo luidde de familienaam van zijn vader Kurt. Maar deze Duitstalige Moraviër, die door zijn moeder was voorbestemd om priester te worden, ging bij de Hitlerjugend, belandde in Amerikaanse krijgsgevangenschap en werd na het einde van de oorlog verdreven uit wat later Tsjechië zou worden. Kurt veranderde zijn naam in Trautmann en kwam uiteindelijk terecht in Beieren. Noch van katholieken noch van Beieren moest Franz, zijn enige zoon, iets hebben.

Als 19-jarige kwam Franz naar Amsterdam. De stad was toeval – zijn eerste liefde woonde er op een woonboot –, maar dat hij weg moest uit de verstikkende Duitse provincie, dat was helder. En dat hij aanvankelijk slechts moeizaam werd getolereerd in zijn Wahlheimat ook: begin jaren zeventig was de anti-Duitse stemming in Nederland nog springlevend. Het bezorgde hem aanvallen van pleinvrees, maar het weerhield hem er niet van om de taal razendsnel te leren en criminologie en orthopedagogiek te gaan studeren. En het leidde er misschien ook toe dat hij, hoeveel hij ook van Amsterdam en Nederland hield, eerst en vooral Europeaan was. Met een voorliefde voor Centraal Europa – wie Oost-Europa zei kreeg een veeg uit de pan.

Het persoonlijke was politiek voor Franz en zo rolde hij in de hulpverlening aan heroïnegebruikers, als maatschappelijk werker in nachtopvang Princenhof, als voorzitter van de MDHG/Junkiebond en later als onderzoeker voor het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs, het tegenwoordige Trimbos-instituut. Zijn promotieonderzoek brak hij af om zich te wijden aan praktischere vormen van onderzoek, hij schreef een Manual Peer Support, een handboek voor zelforganisaties dat nog steeds gebruikt wordt, en bekwaamde zich in rapid assessments: snel informatie vergaren uit zo veel mogelijk verschillende bronnen – interviews met druggebruikers, politieagenten, bewaarders, prostituees –, vervolgens een interventie verzinnen en die voorleggen aan de bronnen. Klopt het? Dan gaan we het doen. Zo stond hij mede aan de wieg van safe injecting rooms in Australië, drugsonderzoek in de townships van Zuid-Afrika en aidsvoorlichting in Russische gevangenissen.

Daarbij had hij niet alleen scherp oog voor de belangen van druggebruikers, maar ook voor die van de mensen op de werkvloer. Voor hen regelde hij goede supervisie en veiligheidsmaatregelen als beschermende kleding. Want Franz wist: zonder medewerking van de uitvoerders gebeurt er niks. En zonder kun kennis en ervaring wéét je ook niks.

„Misschien was Franz niet de beste onderzoeker ter wereld, niet de beste activist of de beste beleidsmaker, maar er was niemand die deze drie rollen zo goed combineerde,” zegt John-Peter Kools, die ruim dertig jaar met Franz werkte. Een ideoloog was Franz niet, het ging hem om draagvlak en omdat hij zo gul en toegankelijk was, creëerde hij dat overal ter wereld met groot gemak. Hij was overal en nergens thuis, misschien had hij daarom van Almaty tot Zagreb zijn vaste adresjes – voor lokale droge worst, obscure jazz of een prachtig glas wijn.

Echt nationale en internationale erkenning bracht een onderzoek naar de wereldwijde economie van illegale drugs dat hij in 2009 schreef op verzoek van de Europese Commissie. Sindsdien verpersoonlijkte Franz het Nederlandse drugsbeleid, hij was geheugen én criticaster van de door ambtelijke wisselingen geplaagde ministeries van Volksgezondheid en Buitenlandse Zaken. Uiteraard zou Franz een speech houden tijdens UNGASS, de grote vergadering van de Verenigde Naties half april, die een aanzet moest geven voor een nieuw internationaal drugsbeleid. Het liep anders.

Franz kwam ziek terug uit Turkmenistan, waar hij werkte aan het drugsbeleid voor Centraal-Azië, en iedereen begreep dat het slecht met hem gesteld was toen hij de speech in New York afzegde. Hij belandde in het ziekenhuis, werd tot zijn grote opluchting na twee weken ontslagen, maar hij bleef zwak en wist dat hij het voortaan anders aan moest pakken – meer tijd voor zichzelf, zijn zoon Maarten en zijn geliefde Lidjia Kristančič, een Sloveense die hij via zijn werk had leren kennen en met wie hij een intense LAT-relatie onderhield.

Maar het seminar over online drugsmarkten, dat hij begin juni voor de Europese Commissie organiseerde, wilde hij natuurlijk niet laten schieten, hij kon dan meteen in Brussel zijn verjaardag vieren en de dag dat hij en Lidjia veertien jaar samen waren. Werk, leven en liefde kwamen dan mooi bij elkaar in de stad waar hij zo dol op was. De avond na zijn verjaardag werd hij onwel, een acute bloedvergiftiging. Anderhalve dag later overleed hij in een Brussels ziekenhuis.