Schrijvers moeten een olifant willen zijn

Pierre Michon

In zijn essays verwoordt Michon de noodzaak van literatuur in een briljante mengeling van humor, poëzie, verwarring en radeloosheid.

©

Wie Pierre Michon niet bewondert, heeft het niet begrepen. Niet voor niets wordt hij in Frankrijk zeer gewaardeerd, ook al is hij de auteur van een vrij klein oeuvre. Zijn Vies minuscules (1984, vertaald als Roemloze levens) wordt terecht beschouwd als zijn belangrijkste boek, maar de rest van zijn werk doet er slechts weinig voor onder.

Michon (1945) wordt soms in één adem genoemd met andere Franse auteurs als Richard Millet (1953) en Pierre Bergounioux (1949), die beiden zijn belangstelling voor ‘kleine’ levens delen en net zo min als hij hun protagonisten in grootstedelijke bourgeois- of aristocratische en academische milieus zoeken. Vaak is de provincie hun decor, bij Michon niet zelden in een nabij of ver verleden. Daar laten ze zien hoe de tijd zijn genadeloze werk verricht, waarbij het landschap en de barre, soms vijandige natuur vaak medeplichtig zijn.

Een andere hoofdrolspeler die altijd prominent aanwezig is, is de taal. Dat klinkt als nogal wiedes, zonder taal gaat het immers niet, maar het is niet zonder betekenis wat de auteur ermee doet – ondanks de overeenkomsten in thematiek en stijl hebben de daarnet genoemde auteurs elk hun eigen onmiskenbare toon. Michon lijkt op het eerste gezicht de ‘eenvoudigste’ van de drie, maar bij nader inzien blijkt eerder het tegenovergestelde. Zijn stijl is soms hoekig, soms vloeiend, zijn zinnen zijn soms kortaangebonden en bits, maar even vaak eindeloos lang en serpentine-achtig en kunnen onverwachts poëtische wendingen krijgen die het lezen van Michons werk tot zo’n feest maken.

Koningslichamen is een verzameling van vijf essays, gevolgd door een aanhangsel waarin het gedicht ‘De slapende Boaz’ is opgenomen van Victor Hugo, dat grote in brons gegoten monument van het 19de-eeuwse Frankrijk. Geen stad zonder straat of plein met zijn naam.

Held van de essays – als je zoiets kunt zeggen – is opnieuw de taal in haar gedaante als literatuur. De bundel begint met een korte, speelse ode aan Samuel Beckett (1906-1989) aan de hand van diens foto uit 1961. Een vorstelijke foto vindt Michon, die Becketts dubbele koningschap laat zien, dat van de mens Beckett en dat van de schrijver.

Flauberts masker

Daarna volgt een even speelse als ernstige schets van Gustave Flaubert en hoe hij, de man met die grote snor, ons beeld van hem bepaald heeft. Nee, Flaubert (1821-1880) was niet de zonderling die hij leek te zijn, hij had een rijk sociaal leven met alles erop en eraan, maar hij deed alsof hij dat niet had, ‘die veinzerij werd voor hem werkelijkheid. Hij knutselde voor zichzelf een masker dat hij met zijn huid moest betalen en waarmee hij boeken schreef,’ schrijft Michon.

En verderop: ‘Flaubert beschouwde de kunst met veel ernst. Die ernst heeft iets lachwekkends. Hij beklemt het hart. Deze beklemming van het hart die lachwekkend is, is de beklemming die we voelen tegenover misère. Flaubert is onze vader in misère.’ Die ‘wij’, dat zijn de schrijvers. Flaubert heeft hen de weg gewezen naar de hedendaagse verwarring door van hen ‘waarheid in de literatuur’ te eisen, ‘de dodelijke tekst, het volmaakte proza. […] Noodzakelijke literatuur zoals ook dood, arbeid en tranen noodzakelijk zijn. Met welk recht worden we daartoe gedwongen?’

Michon heeft geen antwoord op die vraag, hij zou zijn talent best in dienst willen stellen van die noodzakelijke taalwereld, maar hoe vind je die? Wat blijft is ‘de tekst die pijn doet en je van die pijn doet genieten, de dodelijke tekst.’ Verderop: ‘misschien is er maar één bewijs mogelijk voor de voortreffelijkheid van een werk […], maar één bovennatuurlijke bekrachtiging van de almacht van het schrijven: namelijk als je erdoor zou sterven van genot.’

Ik heb veel geciteer d omdat een samenvatting het essay het nauwelijks recht doet, maar – eerlijk is eerlijk – al die citaten eigenlijk ook niet. Het is een briljant getoonzette mengeling van humor, poëzie, verwarring, radeloosheid die de noodzaak van literatuur onder woorden probeert te brengen en daar ook nog in slaagt.

Het volgende – korte – essay sluit hier bij aan. Het behandelt de middeleeuwse auteur Mohammed ibn Mankli die volgens Michon de volmaakte zin had geschreven, een waarin uiteindelijk het beeld van zijn eigen dood besloten lag.

Pierre Michon is bewonderaar van William Faulkner (1897-1962). Zoals bij Beckett gebruikt hij een foto van de auteur als startpunt voor een essay. Hij becommentarieert de pose die de auteur op de foto heeft aangenomen en stelt vast dat die ‘via New Orleans regelrecht afkomstig is uit Montparnasse’. Elders heeft hij al eens uitgelegd dat Faulkner in dat barbaarse land van hem Frans, ja zelfs Parijs’ proza schreef. Daarmee wil Michon hem niet toe-eigenen, hij verbaast zich alleen.

Wie is Faulkner eigenlijk en wat wil hij? Let wel, om dat te weten te komen schrijft Michon geen biografische schets van de bewonderde auteur, maar hij probeert inzicht te krijgen in de motor, de aandrijving van diens schrijverschap. Daarvoor bedient hij zich van een metafoor. De soldaat die in de Amerikaanse Burgeroorlog de vuurdoop heeft beleefd, heeft de olifant gezien, zoals het toen heette. De olifant is het ontzagwekkende, het verschrikkelijke, maar tegelijk ook het fataal aantrekkelijke. Om te worden wie hij zou willen zijn moest Faulkner proberen ‘de onneembare muur op te blazen waarachter de olifant Shakespeare, de olifant Melville, de olifant Joyce dartelen, dommelen en aanvallen, en dat is zelf olifant worden’. En dan vervolgt Michon: ‘Dat nu, dat idee van literatuur […] is het Sublieme.’

Het Laatste Oordeel

Het laatste essay heeft geen schrijver tot onderwerp, maar een gedicht, dat in het aanhangsel staat afgedrukt. Het is ‘De slapende Boaz’ van Victor Hugo. Hoewel alle essays in de bundel net zo goed over Pierre Michon gaan als over de auteurs die zijn liefde hebben, staat het laatste het dichtst bij zijn eigen leven. Het heeft de fraaie titel ‘De hemel is een zeer groot man’ die hij aan Baudelaire heeft ontleend, die hem op zijn beurt van Swedenborg heeft. Michon legt erin uit hoe en waarom dat gedicht van Victor Hugo – maar ook andere gedichten – met hem verbonden is. Tegelijk laat het essay ook zien hoe poëzie kan werken. Gedichten kunnen ‘in dezelfde oogopslag de Big Bang en het Laatste Oordeel omvatten, en alles wat daar tussenin komt, de eeuwige rouw en de vreugde die ook eeuwig is, de rijkdom en zijn schaduw de armoe […]’. Uitersten in één blik verenigen, ‘waartoe dienen dichters anders?’ Koningslichamen is niet het laatste woord over de auteurs die erin voorkomen, Pierre Michons precieze pen tekent hen scherper dan menige studie. Michons lijfvertaler Rokus Hofstede heeft deze essays met gelijke precisie vertaald.

Allard Schröder