Rock is wit en rap is zwart? Welnee

pophokjes

Waarom lukt het blanke muzikanten wel om zwarte muziek te maken, maar zijn er in de rockmuziek zo weinig zwarte muzikanten? Op die vraag promoveert rockmuzikant Julian Schaap.

Over Amy Winehouse zeiden ze dat ze zo’n mooie zwarte sound had. Net zo zwart als echte zwarte zangeressen. Dat kun je horen. Zoals je meteen echte gangstarap herkent, rechtstreeks uit het getto. Soul en hiphop staan in klank en gevoel tegenover de andere kant van de popmuziek: heavy en andere metal, rock en country, genres die de emoties van de witte man vertolken. Muzikale segregatie zit in onze roots, toch?

Nee, zegt Julian Schaap, rockmuzikant en cultuursocioloog. Er is niet zoiets als witte of zwarte muziek. „Ik denk niet dat een huidskleur in een muziekgenre kan zitten.” Zwarte en witte genres bestaan alleen omdat – en zolang – wij geloven dat ze bestaan, zegt Schaap. Er zijn geen aangeboren muziekstijlen. Ze worden wél met de paplepel ingegoten. „Dat is dé definitie van sociale constructie.”

In de popmuziek is de apartheid nog lang niet afgeschaft. Natuurlijk zijn er artiesten die zich met succes over de etnische grenzen heen manifesteren – Winehouse, Eminem, vroeger Jimi Hendrix – maar dat zijn uitzonderingen. Er zijn cross-overs en meer gemengde genres, zoals dance. Maar meestal blijven muzikanten en hun fans etnisch gezien dicht bij huis.

Schaap promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam met een onderzoek naar etno-raciale grenzen, gender en ongelijkheid in de rockmuziek. Hij is afwisselend in Rotterdam en in Atlanta in de VS, waar hij concerten bezoekt en muzikanten en hun fans interviewt.

‘Has Elvis finally left the building?’ is de subtitel van zijn onderzoek. Elvis is het symbool van de witte kolonisatie van door zwarte Amerikanen ontwikkelde muziek. Vóór de King waren de muzikanten in zijn koninkrijk zwart: ze speelden ragtime, jazz of Deltablues, zongen gospel, call & response, couplet en refrein, met het opwindende ritme waar de jeugd na de oorlog op zat te wachten. „If I could find a white man with a negro sound and a negro feel, I would be a millionaire”, zei rock-’n-roll-pionier Sam Phillips, voordat Presley zijn Sun Studio binnenliep.

Schaap, 28 en blond, is bassist in een rockband. Werk en liefhebberij zijn totaal vervlochten, zegt hij. Zijn onderzoek stelt vragen bij de premissen van de pop: rock is wit, rap zwart, en vrouwen houden niet van harde muziek. Het is een reflex om Schaaps stellingen met de uitzonderingen te relativeren: Lenny Kravitz speelt ook rock. Maar wetenschap zou niet moeten gaan over uitzonderingen, maar over de regel, vindt Schaap.

We zitten in Rotown in Rotterdam, waar over een uur de rockbands Solids (uit de VS) en Metz (Canada) zullen optreden. Zonder een blik in de zaal kun je het publiek uittekenen: een beetje hip, hoog opgeleid. En bijna uitsluitend wit. Hetzelfde publiek als in Paradiso, Tivoli, Vera, en op de festivals. Vinden niet-witte bezoekers die muziek niet mooi? Ze kunnen gewoon een kaartje kopen, niemand die ze tegenhoudt. Maar ze komen niet, omdat ze op de weg van huis naar Rotown talloze drempels tegenkomen, zegt Schaap, mensen die ze vertellen dat ze die kant niet op willen. Witte onbekenden met goed bedoelde diskwalificaties: wat bijzonder dat jij hier ook bent. Vrienden die vragen wat ze met die wittemansmuziek moeten. Net zo lang tot ze het zelf geloven, en de muziek niet meer mooi vinden.

Het Marokkaanse jongetje dat van rockmuziek houdt, ondervindt een onophoudelijke stroom kleinere ontmoedigingen. „Wij zijn geïnteresseerd in de kleine mechanismen die zorgen voor uitsluiting”, zegt Schaap. „Hoe die leiden tot grote ongelijkheid.”

Wij, dat zijn behalve Schaap zijn promotor Koen van Eijck, hoogleraar cultural lifestyles, en copromotor Pauwke Berkers. De laatste onderzoekt genderongelijkheid in kunst en cultuur. Van Eijck zat in een Turks bandje, dat tot zijn spijt alleen maar werd uitgenodigd op bijeenkomsten van GroenLinks en de PvdA.

Op het podium achter ons is Metz bezig met de soundcheck. Schaap houdt van snoeiharde muziek, muziek met emotie erin, energie, woede. Handgespeelde muziek, die ‘echt’ is.

Door je omgeving houd je van hiphop

Waarom vind je mooi wat je mooi vindt? Daar zit een neurologische component aan, zegt Schaap, bijvoorbeeld iemands talent, het vermogen om dingen te horen, te herkennen, te onderscheiden. De rest is constructie: de paplepel en alles wat volgt. „Niet het zwart zijn maakt dat je van hiphop houdt. De omgeving waarin een zwart iemand opgroeit, is erop gericht dat hij van hiphop gaat houden.”

Smaak vormt een belangrijk sociaal onderscheidingsmiddel. Daarom zetten pubers steevast hun muziek wat harder: dit zijn wij en onze voorkeuren. Smaak verbindt en sluit uit: wij wel, jij niet. Schaap houdt zich bezig met die grenzen, hoe ze bewegen en veranderen „tussen wit en zwart, homo en hetero, of je worst lust of niet. Tussen die grenzen ligt je identiteit.” Het is lastig om over die grenzen heen te stappen, om een uitzondering te zijn, constateert hij. Dat is een constant gevecht tegen wetmatigheden en kleine, hardnekkige mechanismen.

Schaap spreekt waar mogelijk niet-witte rockliefhebbers. Hij vraagt ze: heb je er wel eens aan gedacht om met die muziek te stoppen, vanwege alle tegenwerking? „Ja, zeggen ze bijna allemaal.”

Segregatie in de pop, dus. Maar het valt niet mee daar een ‘schuldige’ voor aan te wijzen, aldus Schaap. Ook de ‘slachtoffers’ hebben schuld: gestereotypeerde groepen gaan zich nog sterker volgens de stereotypen gedragen. Veel discriminatie gebeurt onbewust en zonder kwade opzet. Een gewetensvraag voor witte popliefhebbers: had je de Beatles en de Stones, of Joy Division, The Smiths of Nirvana, net zo goed gevonden als ze zwart waren geweest?

Cultuursociologie kijkt meestal naar wat afwijkt van de norm, zegt Schaap, naar wat zwart of vrouw is. Zijn onderzoek kijkt naar de norm zelf: witte mannen. Die zijn de winnaars op de wereld, op alle vlakken. Het grootste witte privilege is dat je nooit over je zegeningen hoeft na te denken. Een witte man wordt nooit gediscrimineerd. Hij kan gaan en staan waar hij wil. Hoe onbewuste uitsluiting werkt, kun je goed zien aan rock-’n-roll, een bij uitstek wit en mannelijk cultuurproduct.

Als je per se een partij wilt aanwijzen die schuldig is aan de segregatie, zegt Schaap, dan zijn het de platenlabels. Die willen geen zwarte rockers: het verkoopt niet aan wit want het is zwart, en het verkoopt niet aan zwart want het is rock. Een stap van een witte op zwart terrein is makkelijker, zie Elvis, zie Eminem.

Natuurlijk kun je gemakkelijk tegenwerpingen bedenken bij de suggestie van segregatie in de pop. Is de helft van de top-40 niet zwart? En is tegen de stroom ingaan niet de grondhouding van de rock-’n-roll? De ouders van de Sex Pistols vonden hun muziek ook niet mooi. Ze zijn het toch gaan maken. Maar ook dat is white privilege, zegt Schaap. „Om zomaar te kunnen doen wat je wilt.”

Niemand die weet dat punk van oorsprong zwart is. Wie kent de zwarte band Death nog, punks van vóór de Ramones en de Sex Pistols? Of de Bad Brains, toen groot in punkkringen, maar aan het collectieve geheugen ontsnapt. De Ramones zijn ook al jaren dood, maar hun T-shirts doen het nog prima.

Buiten voor Rotown ontmoeten we vrienden van Schaap, zijn vriendin, copromotor Pauwke Berkers en de jongens van zijn band. Rotterdam heeft 172 nationaliteiten, zei hij net nog. Hier op het terras is iedereen wit en westers.

De bands beginnen, eerst Solids, dan Metz. De muziek is hard en goed, melodieus. Het publiek staat er ruimdenkend naar te kijken. Ze crowdsurfen bij Metz en doen een moshpit. Buiten moeten er niet-witte mensen zijn die hier ook heen hadden gewild, als de omstandigheden anders waren geweest. Elvis is het gebouw nog lang niet uit.