Blubberwezens en een mysterieuze tattoo

De nieuwe Netflix-serie ‘Stranger Things’ is een geslaagde hommage aan cult-classics uit de jaren tachtig.

Opvallend aan 'Stranger Things' is dat ook de jongere acteurs bijzonder goed spelen. Netflix

Wie kent ze nog? E.T., Poltergeist, The Goonies of Stand By Me? Scifi en drama-jeugdfilms uit de jaren tachtig, vol opgewekte jongetjes die, wonend in de Amerikaanse buitenwijken, op hun BMX naar school fietsen, Dungeons & Dragons spelen en met walkie-talkies met elkaar communiceren. Films waar vrouwen in ribbroek lopen, de oogleden volgesmeerd met knalblauwe oogschaduw, de haren vers uit de krultang. En waar de buurt wordt opgeschrikt door knipperende gloeilampen en bovennatuurlijke krachten en de schaduw van de Koude Oorlog over het ogenschijnlijke optimisme van de middenklasse hangt.

Wie terug wil naar deze tijd, kan zijn hart ophalen aan Stranger Things, een geslaagde hommage aan dit soort cult-classics uit de jaren tachtig. Want inderdaad, de nostalgiefactor in deze achtdelige Netflix-serie van regisseursduo Matt en Ross Duffer (Hidden, Wayward Pines) is hoog: het decor en de props, de liedjes (Joy Division, The Clash), zelfs de cast met een prominente rol voor Winona Ryder (eigthies-icoon door haar rollen in films als Heathers en Beetlejuice) – het is er allemaal.

Het verhaal – overduidelijk gebaseerd op de avonturenfilms van Steven Spielberg en de griezelverhalen van Stephen King – begint op een dag in november 1983. In de avond vindt iets schimmigs plaats in een laboratorium in het stadje Hawkins in Indiana. Nadat een medewerker in paniek het lab probeert te ontvluchten, volgt een kettingreactie aan vreemde gebeurtenissen. Het jongetje, Will (Noah Schnapp), verdwijnt na een middagje spelen met zijn beste vrienden. Een mysterieus meisje, met het cijfer 011 getatoeëerd op haar arm, duikt op en blijkt bovennatuurlijke krachten te bezitten, en blubberwezens breken los uit de kelders van het laboratorium.

We kennen het, en dat is niet erg

Klinkt bekend? Zeker. En met dit soort horror-ingrediënten – denk aan The Blob (1958/1988) en Aliens (1986) – zou je ook vrezen dat de verveling snel toeslaat. Toch is dat met Stranger Things niet het geval. Dat heeft te maken met het uitstekende scenario (zorgvuldig uitgewerkte verhaallijnen, goede karakterontwikkelingen en spanningsopbouw) en de sterke cast. Winona Ryder is indrukwekkend als radeloze moeder van de verdwenen Will en David Harbour weet als de gedeprimeerde hoofdcommissaris Hopper, die kampt met het verlies van zijn dochter, eveneens te overtuigen.

Opvallend is dat ook de jongere acteurs bijzonder goed spelen. Niet alleen de stille 011, een rol van Millie Brown (die op tienjarige leeftijd al debuteerde in de paranormale thriller Intruders) maar ook de drie nerdy vrienden van Will – de eigenwijze Mike (Finn Wolfhard), de uitgesproken Lucas (Caleb McLaughlin) en de tandeloze Dustin (Gaten Matarazzo) – hebben de juiste, onderlinge dynamiek ontwikkeld; samen vormen ze het soort jeugdgroepje dat sterk doet denken aan de jongenskliek uit Stand By Me, Rob Reiners jeugdfilm uit 1986 waarin vier getroebleerde jongens op zoek gaan naar hun vermiste vriendje.

De vraag is natuurlijk of Will uiteindelijk weer terechtkomt, en wat er nou daadwerkelijk aan de hand is in de schimmige kelders van het Hawkins Lab. De gebroeders Duffer weten de spanning, tot aan het eind, goed op te voeren. Want wat was ook alweer MK-Ultra? En wie is eigenlijk dokter Martin Brenner? En waarom wordt dat bekende liedje van The Clash – ‘Should I stay or should I go’ – naarmate het verhaal vordert, zo huiveringwekkend? „If I go there will be trouble… An’ if I stay it will be double…