‘Overheid moet het voorbeeld geven, maar het is voor bedrijven makkelijker’

Interview

Hans Spigt, ‘aanjager’ bij de overheid.
Het lukt nog niet erg met de 25.000 banen voor gehandicapten. “Maar als ze er zijn, blijven ze.”

Voor de overheid is Hans Spigt (56) als ‘aanjager’ het land in gestuurd om banen te zoeken voor gehandicapten. De ministeries, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, universiteiten – allemaal moeten ze meedoen. En ja, zegt Spigt, dat gaat moeizaam. Vooral op de ministeries van Financiën en Veiligheid en Justitie.

Maar de overheid eist ook wel veel van zichzelf, vindt hij. „Denk aan de verhouding van de banen in Nederland: dat is één bij de overheid op zeven in het bedrijfsleven. Bij deze banen is het één op vier.”

De overheid heeft ook beloofd om al in 2023 met 25.000 extra banen te komen, het bedrijfsleven kreeg meer tijd: 100.000 in 2026. Zó graag wilde de overheid het goede voorbeeld geven.

Spigt hoort „helemaal nooit” dat de werkgevers bij de overheid er niets van moeten hebben. Hij hoort wél, bijvoorbeeld bij de Belastingdienst en de politie, dat ze nu iets anders aan hun hoofd hebben – door de reorganisaties. Dat begrijpt Spigt. „Maar ik zeg dan ook: er zijn altijd wel plekken te maken.”

Wat veel ingewikkelder is om te snappen: bij de universiteiten gaat het behoorlijk goed, op de hogescholen ook, maar in het basis- en middelbaar onderwijs helemaal niet. En het is ook niet zo dat de minister van Onderwijs dan kan zeggen: „Regel het maar, het kan op die en die plek.” De scholen gaan daar zelf over.

Spigt: „In het basisonderwijs gaat het om zo’n duizend werkgevers. Ik praat veel met de schoolbesturen. Je zou kunnen denken aan zorgassistenten die kleine ongelukjes opruimen of mensen die onderhoudswerk doen.”

Waar het tot nu toe wel goed gaat: bij de provincies, de waterschappen, de gemeenten.

Op een vrijdagochtend in juni zit Spigt in een congrescentrum in Groningen op het podium voor een bijeenkomst van ‘Werk in Zicht’, de arbeidsmarktregio Groningen en Noord-Drenthe. Het gaat over de 25.000 beloofde overheidsbanen. In de zaal zitten zo’n honderd bestuurders uit de regio, managers van afdelingen personeelszaken, directieleden en organisaties die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van gehandicapten op de werkvloer.

„Ik vind ook wel dat wij het goede voorbeeld moeten geven”, zegt een vrouw. „Maar voor reguliere werkgevers is het makkelijker. Die gooien het roer sneller om. Een werkgever bij de overheid moet eerst het beleidsplan helemaal aanpassen.”

Maar daar zijn ze dan ook mee bezig: er komen nieuwe beleidsnota’s, er komen zeker ook werkplekken bij. „De vuistregel”, zegt Spigt, „is dat er drie komen op elke honderd werknemers.”

In de zaal is iedereen van goede wil, er worden certificaten uitgereikt aan werkgevers die het nu al goed doen, zoals het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en de provincie Groningen.

En dus gaat het in de pauze over die anderen. Ze waren allemaal uitgenodigd, maar er is niemand van het basis- of voortgezet onderwijs, de regionale Belastingdienst, de Rijksdienst voor het Wegverkeer. „Het Rijk is de grote afwezige en dat is echt heel erg”, zegt Spigt.

Aan het eind van de bijeenkomst wil de presentator weten wat de managers en directieleden maandag gaan doen met de goede voornemens van deze vrijdagochtend. Spigt, die dan in de zaal zit, zegt zacht: „En waarom maandag pas?”

In een later gesprek, in Den Haag, zegt Spigt: „Je ziet dat de overheid moeite heeft om op stoom te komen. Maar we weten ook: als die plekken er eenmaal zijn, blijven ze er. Bij een bedrijf is dat wel even anders. Als het economisch tegenzit, gaan ze er daar weer uit.”

Spigt vindt ook dat de overheid er „niet te hard op afgerekend” moet worden. „Het is ook de vraag of je de mensen om wie het gaat ermee helpt als je heel principieel gaat zitten doen. Dan creëer je geen inclusieve werkplekken, zoals we graag willen, maar exclusieve: bijzondere. Als je op zo’n plek binnenkomt, ben je ‘zo’n quotumwetje’. Wie wil dat?”