Niet te ver, niet met de auto, lang ter plekke


De meeste mensen willen een reiziger zijn, niet een toerist. Een reiziger zoekt niet-gebaande paden, romantische hotelletjes, zonsondergangen boven heuvels vol zeldzame plantensoorten, ongerepte stranden en verstilde musea met onbekende werken van wereldklasse. De reiziger neemt geen selfies, maar wandelt en onderhoudt zich met een vriendelijke bevolking wiens cultuur zich slechts langzaam prijs geeft.

Dat dergelijk reizen ook in het verleden voor de happy few met veel geld en vooral tijd was weggelegd, doet niet ter zake. Vandaag de dag is bijna iedere reiziger toerist. Massatoerist bovendien. Toerisme is een recht. Reisbureaus adverteren met teksten als: ‘Omdat je het verdient!’ De groei van de middenklasse betekent dat de klassieke twee weken kamperen vervangen zijn door meerdere reizen per jaar, steeds vaker naar exotische bestemmingen.

De toeristische en hospitality sector is dan ook de snelst groeiende economische sector, die ondanks de crisis groeit met 2 procent per jaar. Deze sector draagt meer dan 10 procent bij aan de uitstoot van broeikasgassen, slurpt water voor zwembaden en golfterreinen, veroorzaakt vervuiling en vormt een serieus risico voor verspreiding van ziektes. Het leidt tot de transformatie van traditionele gebruiken tot fotogenieke maar oh zo treurige folklore. Ja, het toerisme brengt lokaal inkomen, maar vaak veel minder dan gedacht. Toeristen zijn gestresst, doelwit van zakkenrollers, relaties staan onder druk. Je zou bijna denken dat als het niet al bestond, het toerisme beter afgeschaft kan worden. En toch blijven ze vertrekken, die toeristen: 1,13 miljard in 2014. Allemaal bouwen ze ongemerkt een enorme koolstofschuld op.

Als geen ander heeft Hofland ons ongenoegen over het massale vakantiegenot verwoord, de ontevredenheid van de toerist die tevergeefs zoekt naar genot maar voornamelijk doet wat hij thuis ook zou doen, fun en shoppen. En de groeiende irritatie van degenen die met toeristenstromen te maken hebben, de inwoners van Rome of Amsterdam. De paradox van steeds meer mogelijkheden en steeds minder tevredenheid. Vroeger, toen alles mooi en stil was, ja, toen smaakten de waterijsjes nog en sliep je als een roos op een harde matras.

Iedereen koestert, net als Hofland, de droom van de reiziger van weleer. Daar zit ook een element van ongelijkheid in. Mogen wij gelukkigen, meestal bovengemiddelde westerlingen, die de kans hebben gehad om af en toe nog echt te reizen – de zon onder zagen gaan boven de koepels van Venetië, door de lege met kinderhoofdjes bestrate steegjes van Brugge liepen, de Grand Canyon of Serengeti hebben ervaren zonder een ander mens in zicht – anderen die ervaringen ontzeggen? Er staan alleen al vele miljoenen Aziaten te trappelen om de Notre Dame, de Sixtijnse Kapel of het Rijksmuseum te bezoeken. En terecht.

Misschien dat de mensheid over een halve eeuw met verbijstering terugkijkt naar een wereld waarin bijna iedereen onbeperkt reisde. Er beginnen alternatieven te ontstaan, maar die zijn vaak bestemd voor een minderheid: slow of deep toerisme, niet te ver weg, niet te veel kilometers per auto en nog minder per vliegtuig, lokaal voedsel, lange tijd ter plekke, meer treinreizen, natuurlijk zwemmen, thuis blijven. Zal men zich in 2050 verbazen over de traagheid waarmee virtual reality reizen gemeengoed en later verplicht werden? Misschien is een kilometerquotum dan normaal: het echte reizen, niet voor de happy few, maar voor de few happy momenten in ons leven.

Vertel me waar je heen gaat en hoe, en ik vertel me wie je bent.