Jouw kind is heus geen Messi

Sport

Betrokkenheid van ouders bij hun sportende kinderen is leuk. Tot ze juridische pleidooien naar de club mailen, of de kleedkamer verbouwen.

Waar het seizoen stopt voor sporters, begint voor veel vrijwilligers bij sportverenigingen juist een zware periode. Zij zijn de afgelopen weken bezig geweest met het beoordelen van spelers, het organiseren van extra selectiedagen en met beslissen: wie komt er in welk team? Niet voor alle kinderen is plaats in een selectieteam, en niet iedereen komt bij zijn beste vriendjes. Wie denkt dat dit alleen voor kinderen een stressvolle periode is, zit ernaast.

Ongeveer de helft van alle sportverenigingen draait volledig op vrijwilligers, blijkt uit cijfers van het Mulier Instituut, dat sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek doet. De overige helft van de – vooral grotere – clubs heeft iemand in dienst of spelers die een vrijwilligersbijdrage krijgen. Die bijdrage gaat vaak naar spelers in seniorenselectieteams. Ouders krijgen zelden een bijdrage. Ruim een miljoen Nederlanders zijn als vrijwilliger actief bij een of meer van de ruim 27.000 sportverenigingen die Nederland telt.

Maar één op de drie verenigingen zegt „genoeg” vrijwilligers te hebben. De rest is vrijwel continu op zoek naar nieuwe aanwas om het bestand op peil te houden of heeft zelfs een structureel tekort.

De druk op de vrijwilligers die zich inzetten is soms groot, vooral als de betrokkenheid van ouders doorslaat naar intensieve bemoeienis of veeleisendheid. Een jonge trainer/technisch commissaris, een voetbalbestuurder en een kinderpsycholoog (en moeder) vertellen over de spanningen tussen clubs en ouders. Met sportende kinderen er tussenin.

Bestuurder bij voetbalclub Westlandia Geo van der Wilk merkt dat zelfs kinderen soms genoeg hebben van de bemoeienis van hun ouders. „Op de velden hoor ik steeds vaker: ‘Hou nou eens je mond, pa’.”