Het hart van slotenmaker Al Pacino zit op slot

Al Pacino kan het nog, blijkt uit Manglehorn. Hij weet middels voor zijn doen naturel spel van een sjabloon (levensmoeë antisociale man die krampachtig in het verleden leeft) min of meer een levensecht personage te maken. Dit doet hij vooral met zijn motoriek en timbre, een slepende tred hier, een stembuiging daar.

Dat is knap, want hij wordt opgezadeld met loodzware symboliek. Zijn beroep is slotenmaker, ofwel: zijn hart zit op slot. Wie breekt hem open? Dat hij elke vrijdag een vriendelijk woord wisselt met de plaatselijke bankbediende Dawn (Holly Hunter) lijkt veelbelovend. Totdat hij in een pijnlijke, sterke scène voor het eerst met Dawn uitgaat en de hele avond alleen babbelt over Clara, de liefde van zijn leven. Hij schrijft haar nog elke dag weemoedige brieven; hoe dat zit, wordt langzaam duidelijk.

Regisseur David Gordon Green kiest ervoor om Manglehorn, dat al twee jaar geleden zijn première beleefde op het filmfestival van Venetië, verschillende registers te geven. Zo herbergt de film een minidocumentaire over een operatie van Manglehorns kat die een sleuteltje heeft ingeslikt en in een surrealistische scène loopt Manglehorn in gedachten langs een bizar auto-ongeluk waarbij kapotgevallen watermeloenen op de weg liggen. Het lukt Gordon Green, die filmhuisfilms afwisselt met komedies, echter net niet van alles één overtuigend geheel te maken. Tegenover elke geslaagde scène staan minder overtuigende momenten, zoals een verhaallijn waarin Manglehorn zijn van hem vervreemde zoon opzoekt en je meteen al weet waar dat heengaat.