Geef Joodse erfpachters in oorlogstijd kans op restitutie

Tien miljoen euro voor een goed doel maakt individuele nota’s nog niet ongedaan, menen Jan Paternotte en Hans Glaubitz.

Hans Glaubitz en Jan Paternotte

Zo’n 800 Joodse onderduikers en overlevenden van concentratiekampen keerden in de zomer van 1945 terug naar hun huizen in Amsterdam. Het waren huiseigenaren die de grond onder hun woning pachtten van de gemeente. Omdat ze tijdens hun kampverblijf geen erfpacht afdroegen, kregen ze een naheffing en een boete wegens te late betaling. Een geschiedenis die niet is uit te leggen. Nood breekt wet, en de Holocaust brak elke wet. Maar in die dagen na de oorlog vond de gemeente dat ze juridisch correct handelde.

In 2013 haalde studente Charlotte van den Berg dit alles op in haar scriptie. In 2015 publiceerde het NIOD erover in het onderzoek Openstaande rekeningen. Amsterdam zette stappen om, voor zover dat zeventig jaar na dato nog mogelijk is, alsnog recht te doen. Nabestaanden konden de boetes terugkrijgen. Voor de erfpacht zelf begrootte burgemeester Van der Laan tien miljoen euro, te besteden aan een door de Joodse gemeenschap gekozen doel. Het Holocaustmuseum, bijvoorbeeld. Een mooi gebaar.

Is het ook de beste oplossing? Waarom geven we erfpachters, of hun nabestaanden, niet zelf individueel de gelegenheid tot restitutie? Zij hadden de rekening immers nooit gepresenteerd mogen krijgen. Maak de transactie liever ongedaan, zoals de Nederlandse staat, de Museumvereniging, de banken en de AEX dat deden met geroofde aandelen en kunst.

De burgemeester bracht drie redelijke argumenten in waarom individuele teruggave niet wenselijk is. Allereerst vreest hij rechtsongelijkheid: niet alle nabestaanden kunnen met papieren aantonen dat hun familie erfpacht betaalde. Om ongelijkheid te voorkomen kies je er dan maar voor niemand individueel te compenseren. Voor ons weegt moreel herstel zwaarder. De gemeente brengt daar als tweede argument tegenin dat er een fundamenteel onderscheid is tussen boete en erfpacht. Het was immers de gemeenteadvocaat die in 1948 boetes discutabel vond, terwijl erfpacht destijds onomstreden was. Anno 2016 moeten we hier geen onderscheid in maken, vinden wij. Dit is meer een moreel dan juridisch vraagstuk.

Derde argument van de burgemeester is dat restitutie tot dure, slepende procedures leidt. Ervaringen uit de praktijk ondersteunen die vrees niet. Sinds 2004 lopen de meeste individuele vergoedingen via de private Stichting Maror-gelden, bestaande uit vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, zoals het CIDI, kerkgenootschappen en Een Ander Joods Geluid. De weg naar de rechter stond open, maar leidde niet tot slepende rechtszaken. Zo ook bij teruggave van aandelen en banktegoeden. Alleen bij de Goudstikker-kunstcollectie kwam het tot een rechtszaak. Een over-de-schutting-constructie, vindt Van der Laan. Maar de gemeenschap heeft er per brief zelf om verzocht.

Voorop staat dat de gemeente Amsterdam een mooi gebaar maakt. Het beste gebaar zou volgens ons echter de mogelijkheid tot teruggave zijn: als een persoonlijk excuus en een principiële correctie van een nota die nooit verstuurd had mogen worden. Wat overblijft na individuele restitutie kan alsnog naar een goed doel.