Dieren zijn meer alien dan de aliens zelf

Kick na kick in de kunsten.

Vincent van Gogh. Charlotte Dumas’ Reverie. Steven Spielberg. ‘E.T. the Extra-Terrestrial’.

©

In het Van Gogh Museum opent een tentoonstelling met prachtige schilderijen, maar het gaat weer eens los over dat oor (we weten het nu zéker, hij sneed zijn héle oor af – op basis van een schetsje van 50 jaar later. En trouwens, wat dan nog?) Het museum gaat ook weer los over zijn waanzin. En hopla, daar is hij weer, de Hollywoodfilm Lust for Life, met de schilder als nobele wildeman. Nu zijn er sinds 1956 allerlei genuanceerde Van Goghfilms gemaakt, zoals Van Gogh (1990) van Maurice Pialat, met Jacques Dutronc als een roerende Vincent van Gogh. Maar die tellen niet.

Och, laat ook maar zitten, want intussen zwaait het Van Gogh Museum met een vuurwapen. Dat exposeert het omdat de schilder er zichzelf mee verdaan zou kúnnen hebben. Alsof het werk van Van Gogh niet zonder zelfmoord en doodslag kan. Dat kan het wel. Kicks zat, in zijn kunst.

Wat heet, in álle kunsten.

Zo krijg ik kick na kick van Reverie, het kleine boek dat Charlotte Dumas wijdde aan haar wolvenfoto’s. Ze maakte een nieuwe editie, aangevuld met polaroids, zodat je nog meer meekrijgt van haar gedachten over de wolfelijke achterdocht. Zelfs slapen doen ze met waakzame oogspleetjes. Ik bel haar op, vraag wat ze bij de wolven zocht. Dumas zegt dat ze „ons onvermogen met dieren” vast wil leggen. „Dieren laten merken dat ze ons zien, maar ze zijn niet in ons geïnteresseerd.”

Ik koop ook haar boek The Widest Prairies, met haar foto’s van mustangs, de wilde paarden in Nevada. Die zijn, zegt Dumas, „gevaarlijker dan wolven”, in hun kuddes waarvan je de patronen niet moet doorbreken. „Ik moest wel eens heel hard rennen.” Weer verbaas ik me over de wonderbaarlijke manier waarop Dumas ontsnapt aan de bekende dierenglamour. Opnieuw treft me de scherpte van haar foto’s: alles zie je, van vacht tot grassprietje – zo voelt het wellicht als je een dier bent, je gaat op in je omgeving. Ook Dumas’ paarden kijken langs haar heen, net als de wolven. Behalve die ene wolf, die kijkt recht in de lens, zeg ik. „Die zit in diergaarde Blijdorp” antwoordt ze. Aha. Daarom lijkt hij meer een hond dan een wolf.

’s Avonds mag ik naar het Eye Filmmuseum, voor de opening van het retrospectief met de 20 beste films van Steven Spielberg. Het wordt een mooie zomer, zo, en die wordt nu afgetrapt met de klassieker E.T. the Extra-Terrestrial, over een verdwaalde alien. Het publiek komt „Phone home!” zoemend de zaal binnen. Wie dat niet begrijpt, heeft ruim 35 jaar ramen en deuren dichtgehouden.

De film staat als een huis. En dankzij Charlotte Dumas’ foto’s besef ik dat E.T.’s oogopslag ons verraadt dat de mens zaken met hem kan doen. Hij kijkt je altijd aan, in tegenstelling tot wolven en paarden. „Dieren zijn meer alien dan de aliens” zal Dumas vaststellen, als ik haar dat voorleg. Maar dat is later. Nu vecht ik weer eens tegen mijn tranen bij de schorre kreet: „E.T. … phone… home’’.

Home. Thuis. Het is een belangrijker woord dan liefde, sterker zelfs dan mamma. Die twee zijn delen. Home is het geheel. Zie het verschil tussen hond en wolf, tussen dier en huisdier.