Darmkrampjes

Sinds ik vader ben is er veel veranderd, maar de desinteresse in het wel en wee van andermans kinderen is gebleven. Omdat ik op deze plaats niet onder stoelen en banken heb gestoken dat het vaderschap me op latere leeftijd is overvallen, gebeurt het me steeds vaker dat mensen me er op aanspreken. De o 

Sinds ik vader ben is er veel veranderd, maar de desinteresse in het wel en wee van andermans kinderen is gebleven. Omdat ik op deze plaats niet onder stoelen en banken heb gestoken dat het vaderschap me op latere leeftijd is overvallen, gebeurt het me steeds vaker dat mensen me er op aanspreken.

De o zo vertrouwde ongemakkelijke stiltes bij ontmoetingen met halve bekenden en onbekenden hebben plaats gemaakt voor humorloze prietpraat over luieruitslag, het doorkomen van papadagen en slaaptekort.

Vooral mensen die zelf nog niet zo lang vadertje of moedertje spelen, voelen de behoefte tot het delen van ervaringen. Het begint altijd met een voorzichtig informeren – „Jij hebt toch ook nog niet zo lang een kind?” – waarna er genadeloos wordt doorgepakt met eigen ervaringen.

Vorige week moest een mij onbekende radioredacteur me in het NOS-gebouw van plek A naar plek B brengen, een loopje van tien minuten dat hij verpestte met een gesprek over darmkrampjes, een onderwerp dat me totaal niet interesseert.

„Die van ons heeft gelukkig geen darmkrampjes”, herhaalde ik mezelf meerdere keren, maar dan begon hij gewoon weer opnieuw. Bij het afscheid liet hij op zijn telefoon een foto van zijn aan darmkrampjes lijdende zoontje zien. Er wordt dan verwacht dat je ook je telefoon tevoorschijn trekt, maar dat liet ik dan toch achterwege.

In Artis, de Amsterdamse dierentuin waar ik een groot deel van mijn zorgdagen slijt, werd een dag later de bodem geraakt toen ik er werd aangesproken door een man die er prat op ging dat hij daar nog vaker kwam dan ik. Hij sprak over de dierentuin als zijn ‘kantoor’ omdat hij er daar wel en thuis niet meer in slaagde om telefoongesprekken te voeren.

Zijn dochtertje zat net als de mijne in de kruipfase constateerde hij terwijl ze alletwee over het gras krioelden.

„Die van ons heeft laatst een kersenpit in haar neusje gestopt.”

Ik kon daar, behalve dat ze een keer kattenbrokjes had gegeten, niets tegenover stellen, waarna het hele drama van het kersenpitje me tot in het kleinste detail werd beschreven. Ik knikte en knikte tot ik niet meer knikken kon en vertelde toen hij eindelijk stil was dat ik bij het verschonen had ontdekt dat de ontlasting van baby’s zoveel op de babyvoeding uit potjes lijkt dat je die gemakkelijk kan recyclen. Het was niet bedoeld als goed gesprek, maar zo werd het wel ervaren. Met mij is het tegenwoordig gemakkelijk praatjes maken, de lat heeft nog nooit zo laag gelegen.