Van kosmopolitische intimidatie naar verantwoord nationalisme

Burgers slikken niet langer voor zoete koek dat handelsverdragen louter voordelen kennen. „Optimaliseer het welzijn van de burgers”, schrijft . „Anders komen er nog meer demagogen.”

Na het Britse referendum en de overwinning van Trump in de Republikeinse voorverkiezingen is het duidelijk dat de kiezers in opstand komen tegen de betrekkelijk open economische politiek die sinds de Tweede Wereldoorlog in de VS en het Verenigd Koninkrijk de norm is geweest.

Populistisch verzet tegen internationale integratie is in grote delen van het Europese vasteland in opkomst en was in Latijns-Amerika altijd al de norm.

De vraag is nu wat de leidende beginselen van de internationale economische politiek zouden moeten zijn. Hoe kunnen degenen die overtuigd zijn van de superioriteit van het post-WOII-stelsel hun gelijk bewijzen?

De gangbare benadering begint met een rationeel betoog en retoriek over de economische gevolgen van internationale integratie: studies over banen dankzij handelsverdragen, voordelen van immigratie en de kosten van belemmeringen. In de meeste gevallen zijn de globale economische pluspunten wel duidelijk. Maar er is een soort Wet van Gresham: voorzichtige beweringen worden steeds door boudere verdreven. In de loop der tijd zijn de voorstanders van integratie hierdoor ingehaald.

Er zijn weliswaar sterke aanwijzingen dat de VS beter af zijn mét het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) dan zonder, maar de grootste voordelen die voorspeld waren, deden zich niet voor. Politieke liberalisering na toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie is bijvoorbeeld uitgebleven. De bereidheid van de bevolking om kosmopolitische argumenten voor zoete koek aan te nemen lijkt uitgeput. Laat staan dat ze zich erdoor laten intimideren.

De tweede pijler van de gangbare benadering is om krachtiger maatregelen tegen ongelijkheid te bepleiten, uitwassen te verzachten en de armen en middenklasse te ondersteunen, en dan te betogen dat de druk om de mondialisering te weerstaan zal afnemen als het binnenlands beleid maar deugt. Deze logica klopt en maatregelen als de hypotheekgarantie en het snelwegnet maakten ook zeker deel uit van het politieke pakket waardoor de VS een open wereldstelsel konden onderschrijven.

Maar de laatste acht jaar heeft Amerika eindelijk een universele ziektekostenverzekering ingevoerd, zijn programma’s voor armen opgezet en de werkloosheid tot onder de vijf procent gebracht, en is de handel steeds minder populair geworden. Ook al zijn krachtige binnenlandse maatregelen nodig om mondiale integratie te schragen, ze zijn niet voldoende.

Een nieuwe benadering moet van de gedachte uitgaan dat het de fundamentele verantwoordelijkheid van de overheid is om het welzijn van de burgers te optimaliseren, niet om een abstract idee van wat goed is voor de wereld na te streven.

Mensen willen ook het gevoel hebben dat ze de maatschappij waarin ze leven vormgeven. Het is misschien onontkoombaar dat onpersoonlijke technologische krachten en veranderde omstandigheden in de wereldeconomie ingrijpende gevolgen hebben, maar dit wringt des te erger als overheden verdragen sluiten waarin nog meer zeggenschap aan internationale tribunalen wordt afgestaan.

Dit geldt vooral als het bedrijfsleven, om redenen van wetgeving of uitvoerbaarheid, een onevenredige invloed op de vormgeving van mondiale afspraken heeft.

Als het Italiaanse bankenstelsel ernstig ondergekapitaliseerd is en de gekozen regering wil het met geld van de belastingbetaler herkapitaliseren, waarom zou een internationaal verdrag dat dan mogen beletten? Waarom zouden landen die menen dat genetisch gemodificeerde gewassen gevaarlijk zijn, mensen daar niet tegen mogen beschermen? Waarom zou de internationale gemeenschap landen mogen beletten de kapitaalinstroom te beperken? Het gaat in al deze gevallen niet om de voordelen. Het gaat om het principe dat inbreuken op de soevereiniteit een hoge prijs hebben.

Er is behoefte aan een verantwoord nationalisme – met als uitgangspunt dat landen de welvaart van hun burgers dienen na te streven, maar wel met een beperking van hun mogelijkheid om de belangen van burgers elders te schaden. Internationale verdragen zouden niet moeten worden beoordeeld op de vraag hoeveel ze harmoniseren of hoeveel barrières ze slechten, maar op de vraag of burgers meer te zeggen krijgen.

Dat wil niet zeggen dat er minder ruimte voor internationale samenwerking zal zijn. Het kan ook meer worden. Zo is de belastingdruk op arbeid over de hele wereld een biljoen dollar of meer hoger dan het geval zou zijn als we over een goed systeem van internationale coördinatie zouden beschikken om kapitaalinkomsten vast te stellen en een race naar de bodem in belastingheffing te voorkomen. En dan zijn de belastingen nog maar het opvallendste terrein waar de race naar de bodem botst met de verwezenlijking van nationale doelstellingen. Ook regelgeving voor arbeidsmarkt, geldwezen en milieunormen zijn aan de orde.

Werktuiglijk internationalisme moet plaatsmaken voor verantwoord nationalisme, anders krijgen we alleen maar meer verontrustende referenda en populistische demagogen die om het hoogste ambt strijden.

Lawrence Summers is hoogleraar aan Harvard en oud-minister van Financiën van de VS.