Wat voorafging: Terwijl de slachtoffers van de crash nog geborgen werden, trof Natan het lichaam van zijn moeder vlakbij de wrakstukken aan.

Feuilleton in 60 afleveringen

16/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Terwijl de slachtoffers van de crash nog geborgen werden, trof Natan het lichaam van zijn moeder vlakbij de wrakstukken aan.

Omdat het aan de rugzijde onder haar losgewaaide haar verborgen had gezeten, was het me niet meteen opgevallen: mijn moeder droeg aan een elastisch koord een geel zuurstofkapje rond haar hals.

Het bijbehorende slangetje leek doorgeknipt of doorgesneden, niet kapot getrokken. Ik had verderop in het veld ook doden met zo’n maskertje om zien liggen. Alsof je een drenkeling met een lek reddingsvest aan op het strand aantrof, of een gefusilleerde in kogelwerend vest tegen een stapel zandzakken, met nekschot net boven de kraag.

Ik voelde me aangestaard. Dertig meter verderop stond een jongen van een jaar of tien, elf. Hij wees naar iets, zijn arm schuin omhoog. Ja, er was een vliegtuig uit de hemel komen vallen, dat wist ik nu wel. Ik wenkte hem, maar hij schudde heftig van nee. Natuurlijk, een kind van die leeftijd wil geen lijk van nabij zien. Ik liep op hem toe. Hij droeg twee kaki petten over elkaar, de ene klep boven zijn voorhoofd, de andere in zijn nek. Op zijn T-shirt: POSJLOST, ongetwijfeld een of andere garageband uit de Donbas, met zessnarige kettingzagen. De jongen wees opnieuw. Er stond daar een zo goed als dode boom, waar verspreid nog wat groene blaadjes aan groeiden. In de dorre kruin hing, vastgehaakt aan scherpe twijgen, de lange, veelkleurige zomerjurk die Rebekka de dag tevoren bij vertrek gedragen had.

Niemand had haar hier ontkleed en onteerd. De dodelijke violatie had zich op tien kilometer hoogte afgespeeld. Wie daar door de sterke luchtstromen gegrepen werd, hield haar kleren niet aan. Hoe lang deed een lichaam erover om van 32.000 voet het aardoppervlak te bereiken, zonder andere weerstand dan die van de naar beneden toe dikker wordende dampkring? Twee, drie minuten? Het leek een wonder dat de jurk zo dichtbij mijn moeder terechtgekomen was. Ik bedankte het ventje door met mijn vingernagel een tik te geven op de voorste klep van de dubbele pet, want ik kreeg geen woord uit mijn verwurgde keel.

‘Dat ding had ze gisteren nog niet om,’ zei hij in het Russisch, naar zijn hals wijzend. Ik liep langzaam naar de dorre boom, misschien alleen maar om niet meteen terug te hoeven naar het gehavende lichaam van Rebekka. Het moest daar zo snel mogelijk weg, een koelruimte in, desnoods voorlopig alleen naar een schaduwrijke plek, want zo vroeg als het nog was, de zon scheen al heet. De gympen van de jongen ritselden achter me aan door het hoge gras. Uit de dichtbegroeide kruin van een nabije boom vloog een zwerm spreeuwen op, die neerstreek op de dakrand van de kippenloods. ‘Die dooie beuk is hun vaste stek,’ zei het kereltje met zijn hoge stem. ‘Sinds gisteren denken ze dat die jurk een vogelverschrikker is. Ze vliegen er steeds omheen. Hoor…’ Hij stak een kleine vinger op. ‘Ze doen de buizerd na.’

Inderdaad had ik het geluid nooit eerder met spreeuwen in verband gebracht. De jongen zei: ‘Ze kunnen razendgoed andere vogels nadoen. Kauwen, eksters. Toen die schuur daar nog vol kippen zat, maakten ze het geluid van een kiekendief… die kwam hier altijd door een gat in het dak kuikens jatten. Ze konden ook een beetje kakelen als de kippen. Niet echt. Ze probeerden het.’

Zoals de jurk daar in de takken hing, loom wapperend op een zachte ochtendbries, had hij iets van de soubrette die na een geveinsde flauwte achterover in de armen van haar minnaar terechtgekomen is. (Hij roept om vlugzout.) ‘Ik denk,’ zei mijn kleine vriend, ‘dat de jurk van die mevrouw daar in het zand is. Ik heb haar gisteren al zien liggen. Ze waren toen het vliegtuig aan het blussen. De mijnwerkers hebben haar nog steeds niet ontdekt. Anders hadden ze wel een stok met een witte lap in de grond gestoken.’ Ik vroeg naar zijn naam. ‘Nikita,’ zei hij. ‘Ze noemen me meestal Nikki.’ Ik schudde zijn kleine hand. ‘Natan,’ zei ik.

In de schaduw van de loods stond een oude man naar ons te kijken. Hij had een strohoed op en een tuinbroek van vale spijkerstof aan, als een figuur op een Amerikaans-realistisch schilderij. ‘Mijn opa,’ zei Nikki. ‘Hij bewaakt de kippenschuur.’

‘Wat zei je nou net over dat gele kapje om de hals van die vrouw?’ vroeg ik. En hij, enthousiast: ‘Ik heb nog nooit gevlogen, maar ik zag het meteen… een zuurstofmasker uit een Boeing 777. Een 200 Extended Range. Lengte 64 meter. Spanwijdte 60. Snelheid 950 kilometer per uur. Als ik iets over vliegtuigen in een tijdschrift zie, knip ik het uit.’ Nikki deed zijn handen zo’n twee decimeter uit elkaar. ‘Mijn plakboek is al zo dik.’

‘Nikki, je zei dat ze het gisteren nog niet om had.’ ‘Vanmorgen heel vroeg… ik was al hier… toen hebben de Seps het om haar hoofd gedaan. Ze zagen mij niet, maar ik hun wel.’ Hij zweeg even, met een blik op zijn grootvader. ‘Opa haat de Seps. Hij noemt ze separasieten. Ja, niet als ze het kunnen horen.’

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het zeventiende deel van dit feuilleton verschijnt donderdag 14 juli op nrc.nl/afth.