Geen Anne Frank, maar dit dagboek is ook heel bijzonder

Tweede Wereldoorlog De Joodse Carry Ulreich zat tijdens de oorlog ondergedoken in Rotterdam. Ze hield een dagboek bij, dat binnenkort verschijnt.

Carry Ulreich (rechts) en haar oudere zus Rachel in hun onderduiktijd. Boekcover uitgeverij Mozaïek

Met het hele gezin zat Carry als meisje ondergedoken op één slaapkamer. Drie jaar lang. De kraan zomaar opendraaien kon niet, het toilet doortrekken evenmin. De buren zouden het misschien merken. En toen de Duitsers eens binnenvielen, verscholen ze zich gauw in een verholen ruimte achter een kast.

De dagboeken van de Joodse Carry Ulreich hebben best wat raakvlakken met die van Anne Frank. Ze zijn pas onlangs ontdekt en komen in oktober uit. De Nederlands-Joodse Ulreich was veertien jaar oud toen de oorlog begon. Ze schrijft verzorgd, gepolijst, zegt VU-historicus Bart Wallet. „Je hebt het gevoel alsof je erbij bent.” Ook háár dagboeken lijken geschreven om te worden gepubliceerd.

Maar Carry Ulreich werd níét meegevoerd. Toen de Duitse soldaten bij een razzia het onderduikadres binnenvielen, Mathenesserweg 28-C in Rotterdam, begonnen de eigenaren een vriendelijk praatje en de Duitsers vertrokken weer. Ulreich maakte de bevrijding mee, ze schreef erover in haar dagboeken, werd verliefd op een Britse soldaat en vertrok naar Palestina. Daar stichtte ze een gezin. Carry Ulreich is nu 89 jaar.

Bijzonder

Haar zoon, uitgever in Israël, bracht de dagboeken naar de Frankfurter Buchmesse. Daar maakte Bart Wallet, onderzoeker naar de Joodse geschiedenis, kennis met het verhaal. Hij kreeg wel vaker dagboeken onder ogen, maar niet eerder zoiets bijzonders. De Joodse gemeenschap in Rotterdam is altijd onderbelicht gebleven. „Ulreich schrijft prachtig over het Joodse leven dat ondanks de oorlog doorging.”

Om deportatie te voorkomen ging Ulreich werken bij de Joodse Raad. Ze bracht koffie en thee rond bij Loods 24, de plek van waaruit de Rotterdamse Joden naar de concentratiekampen vertrokken. Ze staat tussen de mensenmassa’s en schrijft hierover uitgebreid en vol emotie in haar dagboeken. Mensen die ze kent ziet ze uitreizen, onder wie Max Hagchenberg, een schoolgenoot waar ze een oogje op had.

Alle feiten en details heeft historicus Bart Wallet onderzocht. „Ze blijken allemaal te kloppen.” Het verhaal van Ulreich geeft wat hem betreft een andere kijk op het Joodse leven dan dat van Anne Frank. Ulreich was vromer. En haar leven in de onderduik verliep eigenlijk minder atypisch dan dat van Frank. „Zoals veel onderduikers woonden ze met z’n vijven op één kamer.” Ook Ulreich schrijft, net als Anne Frank, in haar dagboeken over flirten en over hoe het is om dicht op elkaars lip te zitten.

„Dagboeken over de Joodse Raad zijn sowieso interessant”, zegt hoogleraar holocaust- en genocidestudies Johannes Houwink Ten Cate, die de dagboeken nog niet kende. „Ooggetuigenverslagen vanuit de Joodse Raad zijn zeldzaam. Mensen die erover schreven konden bij ontdekking rekenen op zware sancties van de Duitsers.” Na de oorlog was er bij leden van de Joodse Raad schaamte. Woede werd op hen geprojecteerd. „Alsof ze zichzelf in een uitzonderingspositie hadden gemanoeuvreerd om er beter van te worden.”

Dat haar dagboeken uitkomen, daar is Carry Ulreich nog beduusd van. Binnenkort is ze in Nederland. Bart Wallet: „Ze heeft nooit gedacht dat haar dagboeken bijzonder konden zijn.”

Fragment uit het dagboek:

„Nu komt het badkamerdrama! Rachel en ik waren dinsdagavond om 11.30 in bad. We hebben wat hard gepraat en gelachen, en toen heeft één van onze buren iets gezegd van naar Polen gaan. Mama en papa vlogen naar boven en scholden ons de huid vol. Ogenblikkelijk waren we stil, maar tevergeefs, want de volgende dag hoorden we via de groenteboer (erg gek hè!) dat dat mens, dat geschreeuwd had, een N.S.B.’ster, al langs de andere buren gegaan is en gevraagd wie er nog last of zoiets van ons had. Naast ons hebben wij ook N.S.B.’ers,dus die zullen het ook wel hebben… en nu zijn we doodsbang dat ze ons bij de SS aan gaat geven wegens ‘burengerucht’ en dan gaan ze ons met de overvalwagen halen en dan naar Westerbork en dan naar Polen en dan… dood? Maar we hopen er het beste van. We zijn erg stil nu, verduisteren precies op tijd, gillen niet, kortom voor ons doen voorbeeldig. Of het iets zal helpen? In ieder geval, we zitten in de put.”