Dromen van een zwarte Afrikaanse Tourwinnaar

Ronde van Frankrijk

Bernard Hinault, de laatste Franse Tourwinnaar, stopt met zijn werkzaamheden in de Ronde. „Renners zijn bang geworden, voor elkaar en voor de ploegleiders.”

Bernard Hinault in actie als chef protocol. „Weg met de oortjes. De toppers koersen nauwelijks meer.” Foto’s Lionel Bonaventure en Jeff Pachoud/AFP en Bas Czerwinski/ANP

Eens kampioen, altijd kampioen. Waar vijfvoudig Tourwinnaar Bernard Hinault ook gaat, overal moet hij uitgestrekte armen omzeilen. „Handtekening, Bernard! Selfie!” „Had ik voor iedere foto een euro gevraagd, dan was ik toch nog miljonair geworden”, glimlacht hij op een vroege ochtend in het Village Départ, het dagelijks verhuizende dorpje van sponsors en wedstrijdleiding van de Ronde van Frankrijk.

Het is zijn laatste Tour. In 1986 ging hij met sportief pensioen, maar sinds begin jaren negentig was de Breton er ieder jaar bij als ‘ambassadeur’ en chef protocol van Tour-organisator Amaury Sport Organisation (ASO). Iedere dag arriveert Hinault als een van de eersten in de startplaats, hij ontmoet er sponsors en vips en wisselt vlak voor het startschot met Tour-directeur Christian Prudhomme beleefdheidsgeschenken uit met de plaatselijke autoriteiten. Bij de aankomst aan het eind van de dag klimt hij in een volgende stad weer op het podium voor de huldiging.

„Het zijn volle dagen hoor”, zegt hij. Hinault doet dit werk niet alleen in de Tour, maar ook bij andere koersen van de ASO. „Het kost me 140 dagen per jaar, dat begint me op te breken. Ik ben al 42 jaar op de weg en heb mijn eigen kinderen niet zien opgroeien. Mijn kleinzoon wil ik wel groot zien worden.” Eind dit jaar wordt hij 62. „Ik wil ook weer wat vaker op de fiets zitten.”

Lokaal gebakken madeleine

Deze dag begint met een haastig interviewtje op de lokale radio samen met regioheld Raymond Poulidor die, anders dan Hinault, nooit de Tour heeft gewonnen maar op zijn tachtigste in het Tourdorp alsnog dag in dag uit voor sponsor LCL in een gele trui rondloopt. Na de protocollaire plichtplegingen op het podium, stapt Hinault in de rode Skoda met oud-ploegmaat Jean-François Rodriguez achter het stuur. Die stopt halverwege de etappe in een stadje waar hij een lokaal gebakken madeleine, zo’n langwerpig Frans cakeje, moet proeven. Dat doet hij dagelijks, hij is de juryvoorzitter. „Pas mal du tout!”, zegt hij enthousiast. „Er zijn geen twee madeleines hetzelfde.”

Maar serieuzere zaken nu. Het wielrennen. Dat bevalt hem nog maar matig, zegt Hinault eerlijk. „De toppers koersen nauwelijks meer. Een uur voor aankomst komen ze in actie. Maar daarvoor gebeurt er vaak niets.” Hoe dat komt? „Die oortjes natuurlijk. Daar ben ik altijd tegen geweest”, zegt hij. „Maar er zijn meer problemen. Renners zijn bang geworden, voor elkaar en voor hun ploegleiders. Ze denken: als ik te ver van de finish aanval en me laat pakken, dan verlies ik punten voor de Pro Tour. Ze zijn de hele koers aan het rekenen.”

Met de vuist op tafel

Het is heus niet zo, zegt hij voor de zekerheid een paar keer, dat vroeger alles beter was. Maar de professionalisering van het wielrennen heeft zo zijn keerzijden, vindt hij. „Vorig jaar was er een renner die een etappe had gewonnen en toen hem werd gevraagd waarom hij niet eerder had aangevallen, antwoordde hij: ‘omdat dat niet gepland was’.” Hinault slaat met zijn vuist op tafel en lacht hard. „Omdat het niet gepland was? Toen zijn tegenstander vijf kilometer voor de streep in problemen was gekomen, had hij meteen moeten aanvallen. Had hij een minuut gewonnen, nu waren het een paar seconden.”

„Misschien waren we in mijn tijd allemaal een beetje gestoord. Maar we vonden het gewoon echt leuk om aan te vallen en we stelden ons niet de vraag of we dat 500 meter of 150 kilometer voor de streep zouden doen. Als de mogelijkheid om aan te vallen zich voordeed dan gingen we. Boem! Pats! Hoe vaak moet ik het nog herhalen? Wielrenners zijn geen trapmachines, het zijn mensen. En mensen kunnen passie tonen. Die wil ik tijdens de Tour zien!”

Het Tourdorpje is een soort kermis in snelkookpan: alle attracties moeten in twee uur worden afgewerkt voor de karavaan weer verder trekt. Hinault – blauw overhemd van de sponsor, kaki broek en een met de zon meekleurend brilletje – heeft af en toe moeite om boven het beukende geratel van de omroeper uit de komen. „Deze sport”, wijst hij richting de commerciële kraampjes, „bestaat dankzij de sponsors. Maar ploegleiders en renners moeten uitkijken. Met saaie etappes waarin alleen dat laatste uur ertoe doet, raak je je publiek snel kwijt.”

De Tour de France, legt hij uit, is bovendien zoveel meer dan een sport. „Dat lijken mensen wel eens te vergeten.” De sterke verhalen uit de koers tegen het decor van la France profonde leiden tot een soort moderne mythologie die een culturele dimensie toevoegt. „Over de bovenmenselijke aanvallen van gladiatoren uit de jaren zestig en zeventig praten we nu nog. Dat mag niet verdwijnen”, zegt Hinault oprecht bezorgd.

Maar of dat tot het huidige peloton is doorgedrongen, weet hij niet. „Ik spreek onze Franse renners niet echt buiten de koers. Ik ken hun motivatie niet. Fietsen ze uit passie? Of omdat ze er een goed inkomen mee verdienen? Ik probeer ze altijd te vertellen dat sport een spelletje is waar je vooral veel lol moet trappen. In een spelletje kun je rare risico’s nemen als je je op een dag ijzersterk voelt.”

Dat bevalt hem aan de zondag afgestapte Spanjaard Alberto Contador. „Dat is een van de weinige groten die nog van ver aanvallen. In Parijs-Nice op zestig kilometer van de finish, of in de Ronde van Spanje in 2012 tegen Rodriguez op zeventig kilometer van het eind. Als hij toen de laatste klim had afgewacht, dan had Rodriguez makkelijk kunnen volgen en had hij de Vuelta niet gewonnen. Door eerder aan te vallen laat je zien wie de sterkste is. Een klassementsrenner die honderd kilometer voorop kan blijven, is een echte winnaar.”

Fransen moet maar eens winnen

En de Fransen? Pijnlijk punt. Hinault is eenendertig jaar na dato nog altijd de laatste Franse Tourwinnaar. En een opvolger is volgens hem niet in zicht. „Met Barguil, Bardet, Pinot of Julian Alaphilippe hebben we echt een paar goede renners, dat kan ik niet ontkennen. Maar ze moeten zich nu maar eens bewijzen, ze moeten winnen. Ze zijn echt nog lang niet van het kaliber van Nibali of Valverde, laat staan van dat van Froome of Quintana. Dat is jammer. ”

Bernard Hinault kijkt op zijn horloge. Hij moet bijna de auto in. Weer een madeleine proeven. Maar hij wil nog één ding kwijt: ondanks zijn pensionering blijft hij als ‘ambassadeur’ betrokken bij de ‘Tropicale Amissa Bongo’, een wonderlijke wielerwedstrijd in het Afrikaanse oliestaatje Gabon. „Ik doe dat al tien jaar en ik zie de Afrikaanse wielersport steeds verder groeien. Mijn droom is dat een zwarte Afrikaanse renner op een dag de Tour wint”, zegt hij. „Dat continent heeft de toekomst, het is een plezier om de vooruitgang daar te zien.”

Is Afrika dan wellicht de plek waar Bernard Hinault de lol van het wielrennen terugvindt? „Voilà.”