Column

De zegeningen van de buurtwerker

‘We wilden hangjongeren laten zien dat het leven meer is dan zuipen en meiden versieren”, zegt Ton Schimmelpennink op de stoep van het vroegere buurtcentrum in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Begin jaren zeventig was hij er jongerenwerker. Tegenwoordig huisvest het gebouw ateliers, want de tijden zijn veranderd en de oorspronkelijke arbeidersbevolking heeft plaatsgemaakt voor alles wat hip en jong is. „Een buurtcentrum als dit streefde naar volksontwikkeling, verheffing van de kansarmen, emancipatie,” vertelt hij over die periode. „En daar was genoeg aanleiding toe. Want dit deel van de stad, met zijn vele halve woningen vol kroostrijke gezinnen, was behoorlijk verpauperd.”

In de wijk wemelde het van de crimineeltjes. „Witte arbeiderskinderen”, benadrukt hij. „Ook de Heineken-ontvoerders, Willem Holleeder voorop, behoorden ertoe.”

Hij wijst naar de nieuwbouw aan de overkant. „Daar had je voor die zware gevallen een apart opvangcentrum. De leider ervan hield kantoor achter kogelvrij glas.”

Zelf begeleidde hij de minder ruige types. Het voorkwam echter niet dat hem een tand uit zijn mond werd geslagen.

Voor het eerst terug in de buurt, vraagt hij zich af wat zijn inspanningen hebben opgeleverd. „Ik kan alleen met zekerheid zeggen dat dit buurthuis voor veel jongeren een veilige, plezierige plek was. Vergeet niet dat we toen nog in de maakbaarheid van de samenleving geloofden.”

Eind jaren zeventig werd hij directeur van een buurthuis in een betere wijk, de Stadionbuurt. Daar zette hij een jeugdhonk op voor hangjongeren, die de buurt terroriseerden met vernielingen en inbraken. Niet veel later werd er drastisch bezuinigd. De meeste buurthuizen gingen dicht, opbouwwerkers werden vervangen door vrijwilligers. Met rampzalige gevolgen, volgens Schimmelpennink. „Kijk naar Amsterdam-Noord, dat geterroriseerd wordt door een bende jochies van Marokkaanse afkomst. De wijkagenten kunnen het maar deels aan. Met goed jongerenwerk was het misschien nooit zo uit de hand gelopen.”

In zijn tijd telde een buurthuis een betaalde staf van zo’n tien man, terwijl het buurtwerk tegenwoordig door vrijwilligers wordt gedaan. Hij vindt die ontwikkeling in de compacte stad nog wel te verdedigen. „Daar zijn de probleemjongeren vervangen door yuppen. Maar in de bedroevende wijken buiten de ringweg, waar de kansarmen wonen, zou het ouderwetse club- en buurthuiswezen in volle glorie zegenrijke werken kunnen verrichten.”