De enige Ethiopische prof zijn, vond hij nog lang niet genoeg

Tour de France

Tsgabu Grmay (24) zag in 2007 Contador de Tour winnen en wist toen: dit wil ik ook. Nu rijdt hij hem zelf. Hij wil zich laten zien.

Tsgabu Grmay (rechts) met de Fransman Jerome Coppel tijdens de negende etappe. „Ik wil in Parijs op een podium eindigen. Al is het voor de strijdlust.”Foto JEFF PACHOUD/AFP

De eerste keer dat Tsgabu Grmay Gebremaryan (24) meedeed aan een wielerwedstrijd in Europa wist hij niet wat hij meemaakte. Het was een gure voorjaarsdag in de Franse regio Somme en de regen kwam al voor de start met bakken uit de hemel. Maar het peloton zat vol met gretige renners jonger dan 23 die in La Côte Picarde wilden laten zien dat ze klaar waren voor een contract bij een professioneel team, weer of geen weer. Zo ook Grmay, die bibberend van de kou alles moest geven om überhaupt op zijn fiets te blijven zitten. Gedesillusioneerd kwam hij toen over de finish in Mers-les-Bains. „Dit is geen wielrennen meer”, zei de Ethiopiër terwijl hij zich klappertandend liet afdrogen door zijn ploegleider.

Vijf jaar later grinnikt hij erom in een luxe resort in Soldeu, Andorra, waar zijn ploeg Lampre-Merida de eerste rustdag van de Tour doorbrengt. Hij komt net van de massagetafel, zijn spijkerbenen glimmen nog van de olie. „Ik had de hele dag zoveel geleden dat ik echt even dacht dat wielrennen niets voor mij was”, proest hij. „Waar ik ben opgegroeid [Mekele, Noord-Ethiopië] wordt het in de winter nooit kouder dan vijftien graden.” Maar Grmay was niet voor niets naar Europa gekomen. In 2007 zag hij thuis op televisie hoe Alberto Contador de Tour won. Hij was op slag verkocht. „Dat ga ik ook doen”, riep hij naar zijn grote broer Solomon.

Tot die tijd had Grmay zich niet zo voor fietsen geïnteresseerd, terwijl zijn vader een verdienstelijk amateurrenner was en soms zelfs met medailles thuiskwam. En ook Solomon kon een potje fietsen. Maar de jonge Tsgabu keepte liever bij de plaatselijke voetbalclub en dacht nooit na over morgen. Hij fietste wel, elke dag naar school, op een stalen ros. Hij had er zichzelf op leren rijden toen hij een jaar of zes was. Na schooltijd vond hij het heerlijk om nog even hard door een bocht te scheuren en dan nageroepen te worden door de mensen op straat. Of te racen tegen de mannen op Bajays (gemotoriseerde tuktuks). „Bergop won ik altijd”, zegt hij glimmend. „En als er jongens langskwamen in hun snelle pakjes, kon ik ze zo lang volgen als ik wilde. Mijn vrienden zeiden dan dat ik talent had, maar ik geloofde ze niet.”

Tot die julidag in 2007. Een op de pedalen swingende Spanjaard veranderde het naïeve kinderhart van Grmay in dat van een wielrenner verlangend naar succes. Het was zijn ticket naar een beter leven, dat besefte hij meteen. Het twaalfkoppige gezin had alleen de man des huizes die voor eten kon zorgen, hij verwisselde banden in een autogarage. Moeder was werkloos.

Getraind had Grmay genoeg, zonder dat hij het wist. Mekele ligt op 2.100 meter hoogte en er is in de wijde omtrek geen vlakke weg te bekennen. Met een beetje hulp van zijn broer werd hij opgepikt door een talententeam in Zuid-Afrika. Hij eindigde meteen als vijfde in de Ronde van Rwanda. De scouts van de internationale wielerbond hadden genoeg gezien en haalden hem naar Aigle, Zwitserland. Binnen zeven maanden werd hij daar weggeplukt door MTN Qhubeka (nu Dimension Data) en kreeg hij een contract. Tsgabu Grmay werd zo de eerste (en nog altijd enige) Ethiopische profwielrenner in de geschiedenis.

Best bijzonder, maar zijn droom was groter. „Mensen in Ethiopië kennen alleen de Tour de France. Dát is wielrennen voor hen. Het maakte me niet uit hoe, maar ooit zou ik daar rijden.”

Het gebeurde vorige week zaterdag in Normandië. Toen Grmay op zijn fiets stapte en naar de start in Mont Saint-Michel rolde, was hij volmaakt gelukkig. De glimlach is sindsdien niet van zijn gezicht te krijgen. „Het werd helemaal stil in mijn hoofd. Ik voelde me bevrijd, alsof ik droomde.” Zijn beste uitslag deze Tour was een 54ste plaats in de negende etappe naar Andorra Arcalis, afgelopen zondag. Maar hij zat al drie keer mee in een ontsnapping. „Ik wil in Parijs op een podium eindigen. Al is het voor de strijdlust.”

Dan haalt hij een ketting tevoorschijn. Een houten kruis aan een zwartleren koord, met de hand ingekerfd door zijn vriendin in Ethiopië. Hij draagt het altijd, ook al is het veel te groot onder zijn strakke wielerpak. „Het helpt me te herinneren waar ik vandaan kom”, zegt hij terwijl hij zijn vingers langs het reliëf laat glijden. „Ik heb het best zwaar gehad vroeger, maar daar ben ik sterker van geworden. Renners die klagen dat ze zeven uur moeten fietsen, lach ik uit. Voor mij is alles nu makkelijk. Zelfs de Tour.”