‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen’

Nachoem M. Wijnberg

(55) ziet als hoogleraar economie en dichter geen wezenlijk verschil tussen poëzie en wetenschap. Een gedicht kan best over de geldvoorraad gaan.

Foto Koos Breukel

Zo eenvoudig is het niet om een afspraak te maken met Nachoem M. Wijnberg – dit jaar was hij al in Zuid-Afrika, Parijs en verschillende malen in de Verenigde Staten. Soms omdat er vertalingen van zijn werk verschijnen. Maar meestal in verband met zijn baan. Wijnberg (1961) is niet alleen een van de meest vooraanstaande Nederlandse dichters (zo kreeg hij in 2009 de VSB Poëzieprijs voor Het leven van), hij is ook econoom: hij bekleedt de leerstoel Cultureel Ondernemerschap en Management aan de Universiteit van Amsterdam. Dat deel van zijn beroepsleven treedt op de voorgrond in Van groot belang, Wijnbergs eind vorig jaar verschenen omvangrijke bundel die voor een groot deel over economische onderwerpen gaat: marktfalen, macro-economie en muntgeld – alles zit erin.

Het is niet de eerste keer dat hij zijn onderwerpen buiten de gebaande dichterspaden zoekt. In 2013 verscheen Nog een grap, waarin hij in korte gedichten onderzocht wat een grap is, of zou kunnen zijn: ‘Hier heb je/ een ladder, een bezem/ en een emmer water,/ maak daar nu maar/ een grap van’.

Wijnberg geldt niet alleen als een bijzondere dichter, ook als een buitengewoon eigenzinnige auteur. Vorig jaar publiceerde hij de roman Alle collega’s dood, waarvoor hij putte uit zijn academische ervaringen. „De dingen die in dat boek als onrealistisch werden aangewezen, kwamen juist rechtstreeks uit mijn eigen leven.”

Wat vindt u interessant aan economie?

„In de wetenschap en de literatuur gaat het mij om hetzelfde: kijken naar hoe mensen leven en daar iets meer van begrijpen. Mensen leven hun leven in een omgeving die bepaald wordt door zaken die in de economie bestudeerd zouden moeten worden. Alles speelt zich af in en om organisaties en in processen van mededinging, om geld of om status. Dat bepaalt voor een groot deel hoe je leven eruitziet. Het is eigenlijk raar als je je daar niet voor interesseert.”

Dus het was uw droom om econoom te worden.

„Dat niet. Ik moet toegeven dat ik er weinig planmatig ben ingerold. Ooit ben ik begonnen met natuurkunde, met rechten als tweede studie. Intussen wilde ik een groot schilder worden. Maar over dat schilderen was ik niet tevreden en dat gold ook voor natuurkunde.”

Wat ging er mis?

„Ik was net zeventien en snel gedemotiveerd. Bij mijn practica gingen nogal wat experimenten in rook op, tot niemand meer met me samen wilde werken. Uit een soort opschepperij heb ik me toen ook bij economie ingeschreven.”

En besloot u de wetenschap in te gaan.

„De meeste loopbanen maakten me zenuwachtig. Bedrijven waren bijzonder angstaanjagend voor me. Een promotieplaats was geen gekke ontsnappingsroute. Het werk was interessant en bood vrijheid – ik was inmiddels gaan schrijven.”

Was u niet liever fulltime schrijver geworden?

„Wetenschap en literatuur zijn niet zulke wezensvreemde activiteiten; alleen gebruiken ze een andere gereedschapsdoos. Ik denk dat ik er steeds beter in ben geworden om dat gereedschap flexibel in te zetten. Maar bij elk organisatorisch conflict denk je natuurlijk: was ik maar alleen schrijver. Terugkijkend denk ik dat ik niet graag fulltime geschreven had, afgezien van het feit dat dat financieel nu veel moeilijker is dan vijfentwintig jaar geleden. Het subsidiebeleid was royaler.”

Een schrijver kan zichzelf ook bedruipen door een bestseller te schrijven.

„Ik droom absoluut van bestsellers, maar niet om mijn baan op te kunnen zeggen. Ik ben teleurgesteld dat boeken, mijn boeken, mijn gedichten niet breder gelezen worden. Ze verkopen voor Nederland best goed, maar het blijft bij een paar duizend mensen. Je schrijft niet puur om je bereik te vergroten, maar hoopt wel mensen ervan te overtuigen dat je gedichten de moeite van het lezen waard zijn.”

Toch gaat u geen thrillers schrijven.

„Misschien schrijf ik er wel eens een – al heb ik dringender projecten. Met het imiteren van de best verkopende boeken is niets mis – zeker vanuit de markteconomie geredeneerd is dat geen slecht idee. In Alle collega’s dood komt een personage voor dat supermarktromans schrijft. Dat kan natuurlijk, maar heeft waarschijnlijk niets meer te maken met literatuur als kennisinstrument.”

Is dat wat literatuur voor u is, een kennisinstrument?

„Ja. Het klinkt iets te deftig, maar je probeert iets te begrijpen. Als ik een natuurkundig proces beschrijf, begrijp ik het beter door wiskunde te gebruiken. Als het gaat om hoe iemand zichzelf ziet dan is dat minder zinvol. Op zich is literatuur dan veel bruikbaarder. In de natuurkunde gaat het vaak over de unreasonable effectiveness of mathematics. Waarom werkt wiskunde zo goed om natuurkundige verschijnselen te verklaren? Is de wiskunde op de een of andere manier meegebakken in de wereld? Taal is zéker meegebakken in hoe we samen leven. Misschien overschat ik onze taal en komt er een buitenaards wezen dat zegt: met mijn taal kan ik de mensen veel beter begrijpen dan met jullie krakkemikkige taaltje. Dat is een mogelijkheid. Maar ik heb niets beters.”

U heeft de naam een ondoorgrondelijke dichter te zijn.

„Dat vind ik onterecht en dat doet mij pijn. Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen. Soms verwijs ik naar iets waar voorkennis bij zou kunnen helpen of naar een andere dichter, maar ook dan doe ik mijn best om dat niet tot noodzakelijke voorkennis te maken. In de laatste bundel, Van groot belang, staan gedichten met voorstellen over hoe je verkiezingen kunt indelen of de geldvoorraad kunt vergroten. Hoe kan je zeggen dat dat niet begrijpelijk is? Ik vind mijzelf in alle eerlijkheid een van de begrijpelijkste dichters.”

Mensen verwachten misschien dat ze door gedichten van de wereld weggevoerd worden. Ondoorgrondelijkheid vinden we mooi.

Wijnberg spreidt zijn armen: „Maar dat ís het niet! Dan lees je dat poëzie je ‘confronteert met je eigen onbegrip’. Ja kom op zeg, denk ik dan: kijk naar je kat, als je geconfronteerd wil worden met je eigen onbegrip!”

En, ernstig: „Poëzie is juist wat het meest intense contact met de werkelijkheid toestaat. En hoe ingewikkeld een gedicht ook kan zijn, het is nog steeds veel simpeler dan de werkelijkheid.”

Maakt het dichterschap u een betere wetenschapper?

„Het helpt me om bepaalde premissen ter discussie te stellen. Bijvoorbeeld over hoe wetenschappelijke artikelen worden geschreven. Dat gebeurt in een standaard-Engels. Je past je taalgebruik aan aan het tijdschrift en dat is een zichzelf versterkend effect. De stilistische variatie versmalt en de mogelijkheden van de taal worden steeds minder benut. Soms moet je bij wetenschappelijke publicaties je handen voor je ogen houden. Ik zou in de wetenschap ook wel gedichten willen publiceren.”

Mag dat niet?

„Een paar maanden geleden begon een wetenschappelijk tijdschrift een essay-rubriek. Ik heb ze gevraagd of ze ook een gedicht wilden, maar daar was men toch huiverig voor. Kon ik niet een essay schrijven over hoe een gedicht van nut kon zijn in de wetenschap? Daar had ik niet veel zin in.

„Toen ik aan deze bundel werkte, gebeurde er weer van alles in het Midden-Oosten. Ik schreef het gedicht ‘Der Judenstaat’ en vond dat een nuttige bijdrage aan het debat. Ik heb het aan verschillende kranten aangeboden als opiniestuk, maar niemand wilde het hebben. Een gedicht vond men niets voor een opiniepagina. Met een regulier opiniestuk had ik vast meer kans gemaakt. Maar in het gedicht staat wat ik wil vertellen. En het gedicht is voor mij niet een aardige of elegante manier om een mening uit te dragen, maar een nadenken over iets. Een wetenschappelijk artikel bestaat ook niet alleen uit de conclusies.”

Uw werk wordt steeds meer vertaald.

„Vertaald worden is de meest intense vorm van gelezen worden. Ik houd er misschien ook wel hoopvol rekening mee. Je wilt niet zo schrijven dat alles leunt op een dubbele bodem in het Nederlands. Ik wil liever geen poëzie schrijven waarvan je bij vertaling alleen de sfeer over hoeft te brengen.”

Nachoem M. Wijnberg: Van groot belang.Atlas Contact, 256 blz. € 34,99Nachoem M. Wijnberg: Alle collega’s dood.Van Gennep, 204 blz. € 18,90