Wat erg hè?

Op bezoek bij oma vroeg ik als jonge tiener hoe het nu zit met de rubriceringen in de krant. Wanneer hoort nieuws bijvoorbeeld op de binnenlandpagina en wanneer op de kunstpagina? „Oh, dat hoef je niet te begrijpen”, zei oma: „Alle relevante krantenstukjes passen in twee categorieën. Eén: Wat erg hè? Twee: Krijg nou wat!”

Later ontdekte ik dat deze categorieën soms overlappen. Dat heet onderzoeksjournalistiek en biedt mij als lezer de meeste voldoening. Zeg maar: hoe Jos van Rey zich bemoeide met de burgemeestersbenoeming in Roermond.

De eerste categorie staat me daarentegen steeds meer tegen. Dit schrijf ik terwijl de schietpartij in Dallas nog maar net achter de rug is en De Telegraaf dit weekeinde groot uitpakt met een gezin dat is verdronken in het Drentse Stieltjeskanaal.

Waarom weerzin? Misschien omdat die duizenden onheilstijdingen samen het zicht ontnemen op mondiale ontwikkelingen die zoveel interessanter zijn dan de laatste aanslag, aardbeving, beursdaling of kippenpestepidemie.

Schrijver Ralf Bodelier zette die ontwikkelingen onlangs nog eens op een rijtje in weekblad De Groene Amsterdammer. Om er ééntje te noemen: de toenemende veiligheid wereldwijd. Waren er in 1990 nog 26 gewapende conflicten die in één jaar zo’n 4 miljoen slachtoffers maakten, vorige jaar waren dat er 11, met 170.000 slachtoffers. Terroristische aanslagen maakten sinds 11 september 2011 in de EU 577 slachtoffers. In de ‘rustige’ 15 jaar daarvoor, waren dat er 2120.

Nu kan ik me voorstellen dat u zegt: „Dit weet toch iedereen?” Bodelier liet het uitzoeken. De gemiddelde wereldburger is slimmer, rijker, gezonder en veiliger dan ooit tevoren, maar wij weten het niet. Toegenomen veiligheid in ontwikkelingslanden? Slechts 9 procent Nederlanders weet dat. Daling wereldwijde armoede? Hoe spectaculair die ook is, slechts 18 procent weet het.

Mij valt altijd op dat mijn collega’s zelden weten dat de wereldwijde oplage van papieren (!) kranten nog altijd sensationeel toeneemt. Afgelopen jaar met 6,4 procent. Bodelier noemt deze statistiek niet, wellicht omdat meer kranten niet direct vooruitgang is te noemen, maar de onwetendheid erover zegt wel iets voor onze journalistieke voorkeur voor slecht nieuws, voor onheilstijdingen. Hoe vaak lees je niet dat de dagbladenindustrie ‘noodlijdend’ is? Wel, niet op wereldschaal.

Het artikel van Bodelier kreeg ik van allerlei kanten toegestuurd. „Dit moet je lezen!” Opvallend, want kennelijk paste een verhaal over evidente, behoorlijk zichtbare en meetbare mondiale ontwikkelingen inmiddels in mijn oma’s categorie: „Krijg nou wat!” Als u het nu ook opvallend vindt, kan ook dit krantenstukje, dat u nu leest, in die categorie van mijn oma.

Of zit het toch anders en vreest Bodelier dat de onwetendheid over al die mooie cijfers de vooruitgang waarover hij schrijft in gevaar brengt? Omdat pessimistisch gestemde burgers gaan handelen naar hun eigen onheilsverwachtingen? Daar lijkt het op. Want Bodelier heeft een organisatie opgericht ter bestrijding van het pessimisme en cynisme, die hij in navolging van Karl Popper „de grootste intellectuele ontsporingen van onze tijd noemt”. Misschien is dat zo, maar daarmee doet hij precies wat mijn beroepsgroep zo graag doet. De wereld een bericht insturen onder de denkbeeldige kop: „Erg hè?”