Recensie

Op een recht stuk snelweg tussen Utrecht en Amersfoort had ik op een stille zondagochtend de topsnelheid van mijn jagged Jag uitgeprobeerd.

Irritant: de wijzer wilde net niet over de 250 km/u heen, en bleef trillend hangen rond 246, en dat zonder tegenwind. Bouwjaar ’69 – het moest de ouderdom zijn. Nu, op weg naar Schiphol, zou ik met die schamele 246 genoegen hebben genomen, als die verrotte limiet er niet geweest was. Te worden aangehouden kon ik me niet permitteren: ik moest een vliegtuig halen, al wist ik niet welk. Alle ongeduld ter wereld concentreerde zich in mijn voet, en die wilde telkens naar 160, 170. Ik becijferde hoeveel uur het me zou kosten om, zonder noemenswaardige onderbreking, naar oostelijk Oekraïne te rijden, maar merkte dat ik toch weer met permanente snelheden van boven de 200 zat te rekenen, en raakte de tel kwijt. Ik zal mezelf al stampvoetend op een Poolse vluchtstrook om mijn stomende strijkijzer heen lopen.

Zonder erg, of misschien als Fehlleistung, reed ik bij Schiphol het terrein voor de kortparkeerders op. Met mijn laptop opengeklapt tegen het stuur zocht ik naar de laatste informatie van KLM en Malaysia Airlines. De beide maatschappijen hadden voor vanavond een persconferentie belegd in Vertrekhal 2, ook toegankelijk voor de nabestaanden van de slachtoffers. Nee, komende nacht geen vlucht naar Kiev of die kant op. Als ik het hele hinkelspel van overstappen moest afwerken, kon ik net zo goed met de Jaguar gaan: dan was ik er waarschijnlijk eerder. Nu even rustig en helder. Wat deed een overheid die vernam over het neerstorten van een vliegtuig vol onderdanen? Die recruteerde als de bliksem reddings-, bergings- en onderzoeksteams, ook als de rampplek niet om de hoek was. De lucht van doorgekookte satésaus hing nog op het Binnenhof: voor onze bewindslieden was het zomerreces ingegaan. Er moesten er toch op z’n minst een paar achtergebleven zijn... invallers, plaatsvervangers. Anderen op weg naar hun vakantiebestemming zouden na het vernemen van de onheilstijding onmiddellijk rechtsomkeert hebben gemaakt... Ik googlede naar de site van Openbare Veiligheid, en liet me doorverwijzen naar die van de Algemeen Coördinator Terrorismebestrijding. ‘Iets verhoogd aanslaglevel.’ Zeg dat wel, ja. Opeens stuitte ik op het bericht dat men bezig was een toestel van Easyjet te charteren om hulpverleners zo dicht mogelijk bij de crashsite te krijgen. Kiev of Charkov, daar waren ze nog niet uit. De wrakstukken waren gelokaliseerd ergens tussen Donetsk en Loegansk, allebei steden met een luchthaven, maar daar hadden de pro-Russische separatisten het voor het zeggen.

Ik wist genoeg: ik moest koste wat kost aan boord van die charter zien te komen. Als verstekeling desnoods, in de ruimte voor het landingsgestel, en het risico nemen de vlucht te maken in gezelschap van het diepgevroren lichaam van een illegale asielzoeker die de opwarming van de aarde te hoog had ingeschat. Nee, ik zou niet doodvriezen. De gloed van mijn missie zou me warm houden. En vooruit, onderkoeld aankomen was zo erg niet, vergeleken bij wat mijn ouders hadden doorgemaakt. Er mochten wel wat zwarte vingers en tenen van me af knappen. Ik schoof mijn laptop terug in de rugzak, en controleerde nog even graaiend de rest van de inhoud. Voldoende rolletjes voor mijn analoge camera? Er gutste een bijtende golf walging door me heen. Was ik aan het begin van mijn droevige reis nog met de finesses van mijn vak bezig? Ontbrak het me aan volledige overgave aan mijn trieste taak? Had Branda gelijk?

Als bewijs dat het allemaal waar was, en menens ook, lagen naast de grote draaideur naar de vertrekhal al tientallen bloemboeketten in een waaier rond een stille samenscholing van knuffeldieren. Een jongen, geknield op de tegels, probeerde een waxinekaarsje aan te steken, maar brandde zijn vingers. ‘Je moet het ding ondersteboven houden,’ zei zijn moeder, ‘en dan zo recht de vlam erin.’ Vervolgens moedigde ze haar dochtertje, dat een pluchen konijn tegen haar borst drukte, aan om het bij de verzameling knuffels te voegen. ‘Toe dan, het is voor een kindje dat met het grote vliegtuig is neergestort.’ Het meisje weigerde, en verstevigde haar greep op het speelgoedbeest. Haar broer had het waxinelichtje intussen aan het branden gekregen. Het vlammetje wiegde bleek in het late zomerlicht.

‘Zal ik Nijntje dan maar bij het kaarsje neerzetten?’ De moeder wrikte met haar vingers de handjes van het dochtertje open, en bevrijdde de knuffel ten gebruike voor een hoger doel. Het kind begon luid te krijsen.

In de man die een snelle blik op de bloemen wierp, en vervolgens de draaideur in stapte, herkende ik, van een fotosessie lang geleden, de hoofdofficier van justitie. Ik volgde hem. Hij liep recht op het ontmoetingsteken af, waar meer bekende koppen verzameld waren. Dit moest de Chartergroep zijn.