Kopje-onder in het paradijs

Flessenpost uit de VS

Schrijfster Pia de Jong woont met haar gezin in Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Regelmatig zie ik ze liggen op hun kleine planken in het water rondom New York en New Jersey: de surfers. Meestal magere jongens met zongebleekt haar. Ieder voor zich, een eindje van elkaar vandaan. Kleine dobbertjes op de onmetelijke oceaan. Tot er een hoge golf aan komt. Zelfs van een afstand voel je de plotselinge opwinding. Even later dansen ze over de metershoge golf. Als flow, volledig opgaan in wat je doet, ergens op van toepassing is dan is het op deze surfers.

Weinig dingen staan verder van me af. Ik ga naar het strand om een wandeling te maken. Bij erg mooi weer neem ik misschien een duik in het water. Maar dankzij het boek Barbarian Days van levenslange surfer William Finnegan (zojuist in vertaling verschenen als Primitieve dagen) ben ik iets gaan begrijpen van wat de surfer bezielt. De beheersing van de bijna onmogelijke krachten van het water geeft een enorme kick. Het trotseren van het gevaar werkt louterend.

Ik sprak Finnegan laatst bij een feestje van The New Yorker, waar hij een vaste auteur is. Een aardige, doch onrustige zestiger. Voortdurend keek hij over mijn schouder, alsof hij verwachtte dat er een hoge golf achter mij zou verrijzen. Ik vermoedde dat hij dan midden in het gesprek op zou springen om een surfplank te pakken die hij onder zijn stoel verstopt had.

Zijn boek staat vol verhalen over de mystiek en de gevaren van het surfen, maar ook over de speciale vriendschap tussen de surfers – het gedeelde verlangen naar de perfect golf. Finnegan reisde de wereld over, van golf tot nog mooiere golf. Hij wilde ze allemaal berijden: Hawaii, Fiji, Australië, Madeira. Nu hij getrouwd is en een dochter van veertien heeft, surft hij voornamelijk rondom New York waar hij woont – Jersey Shore, Long Beach Island, Fire Island – maar niet minder fanatiek.

„Ik kan minder lang mijn adem inhouden, nu ik ouder ben”, vertelde hij. „Laatst was ik halverwege een golf en mijn lucht was op. En ik moest nog twee minuten. Ik dacht, ik mag niet doodgaan. Ze hebben me nodig.” Daarna was hij lang van slag. Toch gaat hij weer. „Iedere keer vind ik mijn toevlucht in die plaatsen op zee”, zei hij. „Alleen daar, in het paradijs op zee, is mijn thuis.”

Het boek won de Pulitzer-prijs. Finnegans passie, grenzend aan obsessie, trekt aan en stoot af, fascineert en maakt jaloers. Ik wil ook het paradijs op zee bereiken. Misschien moet ik daar gewoon wat angst voor over hebben.

Met mijn gezin ben ik vandaag op Fire Island, een strand aan de Atlantische Oceaan dat bekendstaat om de metershoge golven. De zee is woest. Om de tien meter zitten lifeguards die regelmatig het water in rennen. „Mam, je moet dit proberen”, roept mijn dochter, meezwemmend met een hoge golf. „Dit is zo cool.”

Toegegeven, het is geen surfen, maar toch moet ik behoorlijk wat overwinnen. Ik loop een eind de zee in en wacht op een golf. En dan gebeurt het. Ik word meegezogen en kom in een centrifuge terecht, waarbij ik rondtollend elk gevoel voor oriëntatie verlies. Ik raak in paniek en vind mezelf even later met schaafwonden terug op het strand, waar ik met geweld tegenaan gekwakt ben. Een strandwacht helpt me overeind. Eenmaal terug bij mijn handdoek tril ik nog lang na.

Nee, het paradijs op zee is voor mij niet weggelegd.

Reacties via pdejong@ias.edu