Konijn

Mijn gezin logeerde bij mijn moeder, een vrouw die haar gehoorapparaat ‘het antwoordapparaat’ noemt. We konden de dochter van nul met een gerust gevoel bij haar achterlaten, ze zouden elkaar niet tot last zijn.

Wij naar de Korenmarkt in Arnhem, waar het er nog net zo dierlijk aan toeging als in mijn puberteit. Het waren nog dezelfde kroegen, ze hadden alleen andere namen. De deuren stonden open zodat de verschillende muziekstijlen op elkaar botsten op het terras. De mensen paradeerden voorbij in hun netste kleren, soms bleef er een wolk parfum hangen.

„Zo die ruikt lekker”, zeiden we dan.

Ik begon om onverklaarbare redenen maar weer eens op te scheppen over de stad en haar bewoners, die zo anders waren dan in Amsterdam. Door de week hard werken, in het weekeinde een lekker luchtje op.

„Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”, hoorde ik mezelf zeggen. Toen De Vriendin naar het toilet was, meldde zich een als dobbelsteen verkleedde man aan ons tafeltje in wie ik pas na lang kijken oud-klasgenoot ‘Konijn’ herkende. Als je van voren ‘Marc’ heet en van achteren ‘Konijn’ blijf je je hele leven ‘Konijn’.

Behalve zijn achternaam had ik nul herinneringen aan Konijn, maar daar werd aan gewerkt. Hij zei: „Let maar niet op mij, ik ben bezopen.” Ik vond ‘let maar niet op mij’ erg grappig uit de mond van een aangeschoten man die als dobbelsteen door Arnhem waggelde.

Het was zijn vrijgezellenavond.

„Ze hebben me zo verkleed omdat ik vroeger vaak naar het casino ging. Daar heb ik haar ontmoet. Bij de blackjacktafel. Zij heet Decker. Ze noemen ons ‘Black+Decker’.”

Zijn vrienden kwamen hem halen, nog dezelfde als op de middelbare school. Ik was wel eens jaloers geweest op je hele leven lang dezelfde beste vrienden hebben, maar nu zag ik de stilstand.

„Wie was dat?”, vroeg De Vriendin, die alleen het staartje van het gesprek had opgevangen.

„Dat was het verleden”, zei ik, „ik weet er eigenlijk niets meer van.”

Twee consumpties later passeerde een vrouw met twee op het hoofd geplakte konijnenoren en een gebitje met twee lange witte tanden in, waardoor ze alleen maar flesjes Flügel kon drinken.

„Die gaat trouwen met een konijn”, zei ik tegen De Vriendin. „Ze hebben elkaar leren kennen in het casino.”

Het was informatie waar ik haar verder geen plezier mee deed. In de auto herinnerde ik me opeens dat de aanstaande bruidegom vroeger het alfabet kon boeren.