Het verdienmodel van Googlonia en Chevronistan

Googlonia heeft een vlag. Over Facebookistan is een documentaire gemaakt. Google en Facebook zijn bedrijven, maar het lijken landen. Voor andere bedrijven geldt dat nog sterker: hun inkomen ligt hoger dan het bruto binnenlands product van natiestaten, hun invloed op maatschappijen en politieke processen is enorm. Vandaar dat mensen ze Wal-Martia noemen en Chevronistan.

Hoe zit het met de relatie tussen zulke bedrijven en de echte landen? Dwingen ze die landen op de knieën? Of zitten de landen hen juist dwars? Of is het allebei waar en vliegen ze elkaar wederzijds in de haren? Binnen twee dagen las ik twee beweringen over hun verhouding die tegenstrijdig leken: tijd om de zaak uit te pluizen.

Enerzijds schrijft economieredacteur Maarten Schinkel in de NRC dat bedrijven moeten buigen voor de Verenigde Staten. Volkswagen heeft na zijn gesjoemel met dieselauto’s in de VS nu een schikking getroffen en moet een uitzonderlijk hoog bedrag betalen aan boetes en schadevergoedingen: 15,3 miljard dollar. In hoogte nog absurder, schrijft Schinkel, dan het bedrag dat BP moest betalen wegens het lekken van olie in de Golf van Mexico. Hij concludeert dat de Verenigde Staten met de boetes een nieuwe bron van inkomsten hebben aangeboord. „Het uitwringen van buitenlandse bedrijven.”

Anderzijds schrijven politicoloog Smiers, filosoof Pekelharing en politiek econoom Huige dat de grote bedrijven de dominante krachten zijn, „machtiger en rijker dan veel staten samen”. In hun boek Macht van de megaonderneming kijken ze vooral naar de 147 transnationale ondernemingen die samen veertig procent van de wereldeconomie beheersen. Staten zijn door verknooptheid en belastingafdrachten afhankelijk geraakt van het netwerk waarin deze giganten samenwerken. Door gezamenlijke lobby oefent het netwerk druk uit op de politiek.

Dat van die lobby kun je zelfs met eigen ogen zien, nu bekend werd dat voormalig voorzitter van de Europese Commissie, José Manuel Barroso, aantreedt bij zakenbank Goldman Sachs. De bank zegt over de aanwinst: „José Manuel brengt enorm veel inzicht en ervaring mee naar Goldman Sachs, inclusief zeer diep begrip van Europa.” Met deze zeer vaste greep, nee pardon, dit zeer diepe begrip van Europa verstevigen meteen ook de andere grote ondernemingen hun greep op Europa. Want alsof ze deelstaten waren werken ze met elkaar samen in federatieve verbanden. Facebook-Holstein, Mecklenburg-Volkswagen, Goldman-Sachsen.

De vraag luidt, kortom, persen de staten de ondernemingen af, zoals Schinkel zegt? Of zetten de ondernemingen de staten onder druk, zoals Smiers zegt? Zijn het de Verenigde Staten die Volkswagen chanteren? Of spelen de Verenigde Volkswagens en Exxons de baas over de staten? Het blijkt geen sterke óf-óf-vraag te zijn als je de beweringen beter bekijkt. Het antwoord is immers: allebei.

Staten gaan namelijk over de wet. Bedrijven en banken houden niet van de wet. Niet als het gaat om belasting, milieu en arbeid tenminste. Het verdienmodel van de staten zit hem nu in het versoepelen van wetten op verzoek van de lobby. Vervolgens maken dezelfde staten reclame met het feit dat ze die toch al soepele wetten niet serieus nemen. En als de situatie te gek wordt en de wetten zo weinig worden nageleefd dat burgers via de social media protesteren, leggen de staten aan bedrijven boetes op die in de schatkist belanden. Het heet neoliberalisme, geloof ik, maar het is wetsovertreding als verdienmodel. En het is het ei van Columbus. Ware het niet dat de wereld er armer, viezer en droever van wordt.

De twee beweringen zijn dus niet tegenstrijdig, ze komen op hetzelfde neer. Ondernemingen hebben geld en macht. Staten hebben de wet. Door te kiezen voor wetsovertreding als verdienmodel maken staten hun bevoegdheid tot het stellen van regels ondergeschikt aan de macht van bedrijven die groot genoeg zijn voor onverantwoordelijkheid. Het is zoals partijleider Jesse Klaver van GroenLinks formuleerde in een interview over het weglokken van ondernemingen uit Engeland: „Toen premier Rutte vorige week riep dat onze strenge bonuswetgeving voldoende uitzonderingen bevat, zei hij eigenlijk: ‘Er zitten genoeg gaten in de wet om hier je zakken te komen vullen.’”

Sommige bedrijven lijken op landen. Ze hebben een vlag en een inkomen groter dan dat van Oostenrijk of Denemarken. Maar een rechtsstaat zijn ze niet. En staten die de wet niet serieus nemen – die er reclame mee maken dat ze de wet niet serieus nemen – zijn dat net zo min, ook al hebben ze een vlag. Wie buigt voor wie, was mijn vraag. En mijn antwoord luidt: de een niet voor de ander. Ze zijn gelijk aan elkaar geworden.

Maxim Februari is jurist en schrijver.