Bodemextract maakt van akker snel natuur

Natuurbeheer

Omzetten van landbouwgrond in natuurlandschap gaat traag. Tenzij je er een dun laagje grond uit het gewenste landschap over uitstrooit.

De omzetting van voormalige landbouwgrond in een gewenst natuurtype valt te sturen. Dat hebben ecologen van het Nederlands Instituut voor Ecologie in Wageningen laten zien in een omvangrijk, zes jaar durend experiment aan de zuidkant van de Veluwe. Door akkers een ‘bodemtransplantaat’ te geven van een heidelandschap of een graslandschap ontwikkelen zich de voor dat landschap typische planten. Het onderzoek is maandag gepubliceerd in het tijdschrift Nature Plants.

Voor natuurherstellers is dit belangrijk nieuws. Want tot nog toe gaat de omzetting van voormalige landbouwgrond lang niet altijd even makkelijk. Het Wageningse onderzoek onderstreept het belang van het bodemleven.

De ecologen voerden hun experimenten uit in Reijerscamp, een voormalig landbouwgebied boven het plaatsje Wolfheze. Natuurmonumenten beheert het 180 hectare grote gebied sinds 2000 en is doende de Veluwe via de Reijerscamp te verbinden met de uiterwaarden van de Rijn.

De onderzoekers groeven van voormalige stukken akker eerst de bovenste voedselrijke halve meter af. Daarna strooiden ze er een heel dun laagje grond (minder dan 1 centimeter dik) over, afkomstig van een nabijgelegen heide- of graslandschap. „Er zit van alles in die grond: rondwormen, springstaarten, bacteriën, schimmels”, zegt promovendus Jasper Wubs, die eerste auteur is van het artikel. „We denken dat de micro-organismen de sterkst sturende factoren zijn voor de planten die opkomen.”

De proefveldjes met het heidetransplantaat reageerden het sterkst, schrijven de ecologen. Na verloop van tijd verschenen er soorten als struikheide, trekrus en zandzegge. De veldjes waren voor 15 procent bedekt met typische heideplanten. Bij de andere veldjes – met grastransplantaat, en de controles zonder transplantaat – bedekten heidesoorten respectievelijk 2,5 en 1 procent van het oppervlak.

Op de veldjes met heidetransplantaat verschenen ook soorten die in graslandschappen opkwamen. Bochtige smele, stekelbrem, schapengras. „Sommige soorten gedijen in meer landschappen”, zegt Wubs.

Bart van Tooren, ecoloog bij Natuurmonumenten, noemt het Wageningse onderzoek waardevol. Natuurorganisaties proberen al langer om maaisels of plagsels te transplanteren. „Nu is het een keer begeleid met goed onderzoek.”

Probleem, zegt Van Tooren, is om vast te stellen wat bij transplantaties bepaalt welke planten er opkomen. Het bodemleven, of de zaden en plantenwortels in het transplantaat? Daarom voerden de ecologen nog een experiment uit, in de kas. Ondergrond uit Reijerscamp werd bedekt met heide- of graslandtransplantaat en daar kwam gesteriliseerd zand op. Die remt uitgroei van zaden vanuit het transplantaat. Op het zand werd een standaard zadenmengsel van 30 soorten uitgestrooid. Afhankelijk van het transplantaat kiemden de daarbij horende zaden. Van Tooren: „Hieruit blijkt dat het echt het bodemleven is dat de plantengroei stuurt.”