Victoriaanse tijdenop de arbeidsmarkt

Een krimpend legioen van vaste werknemers die alles hebben, een groeiend leger ’dagloners’ dat op zichzelf is aangewezen. De tweedeling op de arbeidsmarkt begint alarmerende vormen aan te nemen.

Beeld Arjen Born

‘Dagloners’, zo noemde president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank het groeiende leger van zelfstandigen zonder personeel (zzp) dit voorjaar. Niet dat alle zzp’ers zo te omschrijven zijn. Maar aan de onderkant van de arbeidsmarkt lijkt er inderdaad een toenemend aantal als ondernemer vermomde werknemers te zijn van wie de bestaanszekerheid wankel is, en het inkomen laag. Opdrachtgevers, zich bewust van deze slechte onderhandelingspositie, drukken hun vergoedingen omlaag.

Deze week vestigde de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) de aandacht op de voortdurende misstanden bij Oost-Europese werknemers in Nederland. Gedwongen winkelnering bij de huisvesting, op afroep beschikbaar zijn en zo niet: pech gehad. Lange dagen, slechte betaling. Zo is het in wel meer landen in Europa. Veel grote internetwinkels, met hun enorme magazijnen, zouden knarsend tot stilstand komen als deze moderne dagloners er niet zouden zijn.

Jongeren vinden intussen steeds moeilijker een vaste baan. Zij dolen jarenlang in het voorgeborchte van de arbeidsmarkt, van tijdelijk contract naar payrollbedrijven – de koppelbazen van de eenentwintigste eeuw.

Hoe vrijer werkgevers in onderlinge concurrentie kunnen beslissen over de arbeidsvoorwaarden van hun werkers, hoe meer zij zullen tenderen naar het laagste punt. Tot we uiteindelijk weer terechtkomen in de Victoriaanse toestanden van de negentiende eeuw. Verzet daartegen leverde uiteindelijk juist de moderne, gemengde economie op. De revolutiedreiging werd in de jaren na 1917 beantwoord met de invoering van het algemeen kiesrecht. En de werknemer werd gaandeweg niet alleen een leverancier van arbeid, maar ook een consument. Zo ontstond een grote middenklasse die maatschappelijke stabiliteit bracht en bewaarde. Het kapitalisme redde zich van zichzelf.

Zakken we nu weer af? Na de val van het communisme in 1989 beleefde het kapitalisme een overwinningsroes. Internet maakte markten en prijzen transparant, maar bracht ook nieuwe negentiende-eeuwse monopolies. En globalisering zorgt langzamerhand voor een mondiale gelijkschakeling van prijzen – óók van de prijs van arbeid.

Het gaat hard

Zo dreigen er nu twee aparte werelden te ontstaan op de arbeidsmarkt. Eén oude naoorlogse wereld waarin vaste werknemers een gegarandeerd salaris verdienen, met alle sociale vangnetten bij ziekte en werkloosheid, met pensioenopbouw en ontslagbescherming. Dit legioen krimpt: van alle banen was in 2009 nog 69,4 procent een contract voor onbepaalde tijd. In 2014, het laatst bekende jaar, was dat nog maar 66,2 procent. Het gaat hard.

Tegenover die oude wereld staat een groeiende nieuwe wereld waarin losse werknemers langzaam afglijden naar een steeds grotere kwetsbaarheid. Hier bevindt een groot deel van wat al het ‘precariaat’ wordt genoemd, in een verwijzing naar het ‘proletariaat’ van de negentiende eeuw. Hier vallen de klappen van de globalisering.

Hoewel inkomensongelijkheid in Nederland volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek niet of nauwelijks blijkt toe te nemen, groeit zij wel in grote delen van de westerse wereld. De vermogensongelijkheid is al groot en leidt, voor wie de Franse econoom Thomas Piketty gelooft, uiteindelijk weer tot grotere inkomensongelijkheid.

Het lijkt er intussen op dat in de strijd tussen arbeid en kapitaal, zo’n typisch negentiende-eeuws concept met een dikke laag stof, het laatste aan de winnende hand is. De zogenoemde arbeidsinkomensquote (aiq), die weergeeft hoeveel van het nationaal inkomen terecht komt bij de factor arbeid (werknemers), is al duurzaam onder de 80 procent beland. Maar als het werkelijke inkomen van zzp’ers wordt meegeteld, zoals De Nederlandsche Bank onlangs deed, is de aiq al gezakt richting de 70 procent. Dat lijkt een bescheiden daling, maar in werkelijkheid is het een aardverschuiving. De winstquote, het deel van het nationale inkomen dat aan de factor kapitaal toevalt (bedrijven) is het spiegelbeeld van de aiq. Die winstquote is dus zeer hoog. Dat is een ontwikkeling die in veel westerse landen plaatsvindt. Onderzoek van The Economist wijst uit dat het aandeel van de arbeidskosten in het totale bbp, een andere manier om dit te berekenen, sinds de jaren zeventig in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Duitsland en Japan is teruggelopen.

De factor arbeid roert zich intussen nauwelijks: het aantal stakingsdagen is verschrompeld. Volgens de historische reeksen van het CBS waren er in de jaren twintig gemiddeld jaarlijks 360 stakingsdagen per duizend werknemers. In de jaren zeventig waren dat er gemiddeld nog maar 30 per jaar en in de afgelopen tien jaar gemiddeld nog maar 8. Het lidmaatschap van vakbonden loopt terug – zeker wanneer dit wordt afgezet tegen de omvang van de beroepsbevolking.

Veel zzp’ers verenigen zich niet: zij moeten, of willen, het in hun eentje uitvechten. Dat geldt ook voor contractanten en payrollers. De dagloner meldt zich bij de poort en hoopt dat de voorman hem vandaag kiest, steeds vaker in wat met een hippe term de gig economy is gaan heten: klussen op afroep, met instant beoordeling door tevreden en ontevreden klanten. Als de dienstbode die vroeger wist dat, zonder een goede referentie van Mevrouw, het vinden van een volgende baan zo goed als kansloos was.

Hoe hardnekkig de tweedeling tussen vast en flexibel op de arbeidsmarkt is, blijkt uit de voorlopige bevindingen met de Wet werk en zekerheid van minister Asscher van Sociale Zaken (PvdA). Vast werk moest minder vast worden, met soepeler ontslag. Flexibel werk moest juist meer verplichtingen van de werkgever met zich meebrengen. Zo zouden werkgevers worden verleid meer mensen in vaste dienst te nemen. Het resultaat is vooralsnog dat ontslag in de praktijk veel lastiger is geworden, terwijl ‘flexwerkers’ het moeilijker hebben gekregen omdat scherper wordt gelet op een informele vaste arbeidsrelatie met hun opdrachtgever.

Precariaat

Toch zal de wal het schip moeten keren. Een samenleving waarin het eigen leven moeilijker te plannen is, kan onzeker worden – vandaar de term ‘precariaat’. Een middenklasse die krimpt kan de maatschappelijke stabiliteit minder goed waarborgen. En groeiende ongelijkheid, of dat nu het vermogen, het inkomen of de meegekregen gezinscultuur betreft, fragmenteert de samenleving.

De omstandigheden waarin dit zich voltrekt zijn intussen ongunstig. Veel westerse economieën hebben te maken met een daling van de productiviteit – de motor achter de welvaart. Veel landen kampen ook met vergrijzing, waardoor de beroepsbevolking onder druk komt, en een krimpend deel van de bevolking de zorg op moet brengen voor een groeiende groep ouderen. De middenklasse staat onder druk, de sociale mobiliteit dreigt tot stilstand te komen. Het referendum heeft veel weg van de revolutie van toen.

Veel van de oplossingen zijn te vinden in een hervorming van de arbeidsmarkt. Hoe, dat is een van de grote vraagstukken van nu. Maar één ding staat vast: om in zijn huidige vorm te overleven moet het kapitalisme zich weer van zichzelf gaan redden. Net als een eeuw geleden.