Rutte-II schuift pensioenpuzzel door

Over persoonlijke pensioenen en het pensioengat van zzp’ers spreekt het kabinet zich niet uit. De opties voor hervorming staan nu wel op een rijtje.

Foto ROBIN VAN LONKHUIJSEN/ANP

Met één thema kunnen de politieke partijen zich bij de campagne voor Tweede Kamerverkiezingen van maart volgend jaar duidelijk profileren. Wie is vóór en wie is tégen persoonlijke pensioenen?

Het kabinet Rutte-II maakt nog geen keuze in de nota over de toekomst van het pensioenstelsel, die staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA) vrijdag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Voor de verkiezingsprogramma’s en het volgende kabinet heeft Klijnsma wel een aantal lijnen uitgezet.

Zo proberen regeringspartijen VVD en PvdA toch richting te geven aan de hervorming van het pensioenstelsel, zonder zelf ingrijpende en gevoelige keuzes te maken aan het eind van de kabinetsperiode en kort voor de verkiezingen. Een nieuw kabinet zou alles weer van tafel kunnen vegen, maar daarmee ook de jarenlange discussie in de pensioensector en de polder die hieraan voorafging.

Het streven is nog altijd om in 2020 een nieuw soort pensioen in te voeren. Ondertussen staat het pensioenstelsel steeds meer onder druk door de lage rente, de vergrijzing en stijgende levensverwachting, de naschokken van de Brexit, kortingen en pensioeninflatie. Al zit er 1.443 miljard euro in de nationale pensioenpot, het gevoel van veel mensen is dat de bodem in zicht is.

Van alle pensioenvormen die de Sociaal-Economische Raad heeft laten onderzoeken, blijven er in de kabinetsnota twee over. De ene is het persoonlijke pensioen, waarbij iedereen zijn eigen pot krijgt zonder garanties over het pensioen. Dit individuele systeem heeft wel een collectieve buffer om de risico’s van bijvoorbeeld beursverliezen en arbeidsongeschiktheid te blijven delen.

De andere variant die het kabinet verder wil uitwerken lijkt op het huidige collectieve systeem, maar biedt ook geen wettelijke garanties meer over de opbouw. Het kabinet noemt dit de ‘ambitie-overeenkomst’, omdat het meer speelruimte biedt voor beleggingen om de koopkracht van pensioenen op pijl te houden.

‘Generatieproof’

Duidelijkheid is het voordeel van beide varianten, zegt het kabinet. Als je mensen geen pensioen meer belooft, kunnen ze ook niet teleurgesteld zijn en komt het vertrouwen in het stelsel weer terug, is de hoop in politiek Den Haag.

Ook wil het kabinet burgers meer zeggenschap over hun pensioen geven. Er komt nader onderzoek naar de mogelijkheden om een deel van het pensioen ineens op te nemen, keuzes te maken in het beleggingsbeleid en een tijdelijke premiestop.

Het kabinet wil het liefst dat er één variant overblijft, maar benadrukt dat die keuze aan de vakbonden en werkgevers is. De discussie is nog niet beslecht. De werkgeversverenigingen VNO-NCW en MKB-Nederland vinden persoonlijke pensioenen noodzakelijk om het stelsel „generatieproof” te maken voor jong en oud. De grootste vakbond, de FNV, raadpleegt nog de achterban, maar noemt het een „ieder-voor-zich-pensioen”.

Witte vlekkers

Een ander vraagstuk dat dit kabinet vooruit schuift, is het pensioengat van grote groepen flexwerkers, kleine zelfstandigen en zogenoemde ‘witte vlekkers’: werknemers met een arbeidscontract die toch geen pensioen via hun werk opbouwen.

De meest verstrekkende optie die Klijnsma schetst is een wettelijke pensioenplicht voor alle werkenden. De centrale vraag hierbij is hoevéél pensioen werkenden dan moeten opbouwen. Een andere optie in de nota is één pensioenregeling voor alle flexwerkers, zoals uitzendkrachten, payrollers en oproepkrachten. Relatief eenvoudig, maar kostbaar is het verhogen van de AOW. Als de AOW met 30 euro per maand wordt verhoogd, dan kost dit 1 miljard euro.

Voor de 100 miljard euro die afschaffing van de ‘doorsneepremie’ kan kosten, is nu een rekening opgesteld. Het systeem waarbij iedereen evenveel premie van zijn loon inlegt moet verdwijnen, omdat het de pensioenen van jongeren benadeelt en die van ouderen bevoordeelt. De overheid zou 40 miljard euro kunnen bijdragen om benadeelde generaties te compenseren, de resterende 60 miljard moeten werkgevers en werknemers zien te dekken.