Oma leerde nog poetsen

Bijna niemand (onder de 50 jaar) heeft nog leren schoonmaken. De één heeft een werkster, de ander wacht tot de rommel „echt uit de hand loopt”.

De zoon van Jasmijn, 18, kocht op Pinkpop een shirt van de Red Hot Chili Peppers. Deed het in zijn tas met onderop een lekkende pen. Shirt vies, overal inktvlekken. Bijna kocht hij een nieuwe, maar dat bleek onnodig: zijn moeder kon het shirt nog redden. Die mogelijkheid had hij zelf niet bedacht.

Zijn moeder weet overigens zelf ook niet veel van het huishouden, zegt ze lachend. Ooit wilde ze een t-shirt bleken. In een emmer dikke bleek, want dat had ze ergens gelezen. „Maar toen ik het shirt eruit haalde, vielen de mouwen eraf. Ik had het kennelijk moeten verdunnen.”

Poetskennis, hebben we dat nog? Veelzeggend is de naam van een bekende site met huishoudtips: Oma weet raad. Bedoeld voor alle generaties ná oma. „We stoppen onze kinderen op wiskundelessen, we leren ze fietsen”, zegt schrijfster Diet Groothuis. „Maar over hoe je een huishouden moet runnen, leren we niets.”

Groothuis schreef onlangs Het Grote Poetsboek, vol praktische tips voor een schoon en opgeruimd huis. Per kamer beschreven, voor de fanatieke én de lakse bui. Ook haar poetscolumns die ze vijf jaar lang voor dagblad Trouw schreef staan erin. Dat is een behoorlijk lange tijd, ja, maar Groothuis raakte er maar niet over uitgeschreven. „Er zit zo’n spanning op dit onderwerp, mensen haten het. Maar je moet toch dingen weten, ook al huur je een werkster in. Iedereen gooit weleens een glas wijn om.”

Groothuis kreeg veel respons op haar schoonmaakcolumns. En steeds nieuwe inspiratie om dingen uit te zoeken. Zo leerde ze dat je bruin ingebrande ovenschalen schoon krijgt door ze in te smeren met groene zeep uit een pot, daar ammonia bij te doen en een nacht in een afgesloten vuilniszak te stoppen. Ze leerde dat je beter waspoeder kunt gebruiken dan vloeibaar wasmiddel. En dat de was een half uur eerder droog is als je een droge handdoek in je droger stopt. „De oude generatie heeft een schat aan kennis. Ik kreeg het gevoel: ik moet dat vastleggen, voordat zij uitsterven.”

Zelf komt Groothuis, 53 jaar, uit een boerenfamilie. Het poetsen leerde ze van haar moeder. Uitzonderlijk, want veel van haar vriendinnen leerden helemaal niets. Iedereen doet maar wat. En een gespreksonderwerp is het zeker niet. „Met de komst van het feminisme is huishouden van de agenda geraakt. Het kind is met het badwater weggegooid.” Ondanks hun historische achterstand kunnen mannen trouwens best goed poetsen, vindt Groothuis: „Ze zijn vaak efficiënt en grondig.”

Groene zeep, schoonmaakazijn en soda, daar zweert Groothuis bij. „Al dat kleurengeweld in het schoonmaakvak van de supermarkt is zo’n onzin. Bedacht voor mensen die niet weten wat ze moeten kopen. Niet goed voor het milieu en niet goed voor je portemonnee.” Vaak is zelfs een microvezeldoek met heet water al genoeg.

Poetsstrategie

Toch is Pepijn Straatman (31), universitair onderzoeker, in het kleurige schoonmaakvak in de supermarkt op zoek naar bleek. Die is op. Zijn poetsstrategie vat hij samen als ‘opruimen en schoonmaken voordat het uit de hand loopt’. De middelen: bleek, allesreiniger, glasreiniger, ontkalker en parketreiniger. En zijn huisgenoot met wie hij om beurten poetst.

Hij kijkt er niet bepaald naar uit, schoonmaken. „Het kost veel tijd en het is geen gezellige, sociale activiteit. Je kunt wel even je verstand op nul zetten.” Vroeger was hij heel rommelig, goed poetsen had hij nooit geleerd. Het was toen hij gek werd van het eten op de grond in zijn studentenhuis, dat hij zich voornam de boel voortaan wat schoner te houden. Nu is hij „best grondig”.

Ook Welmer Akkerman (35), manager bij een supermarkt, en Pamela Rodermond (27), fysiotherapeut, leerden nooit poetsen. „Maar op een gegeven moment krijg je het in de gaten”, zegt Akkerman, die naar eigen zeggen wat vaker poetst dan zijn vriendin. Er is geen vaste dag, als het moet dan moet het. Bovenop de keukenkastjes komen ze nooit. En de bank gaat echt niet altijd aan de kant.

Andreas Crebolder, dertig jaar biologiedocent op het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, gaf tot zo’n tien jaar terug het vak verzorging aan eersteklassers. Les in praktische dingen als koken, opruimen en de wc schoonmaken. Maar dat vak is afgeschaft. Niet gymnasiaal genoeg, klonk het, en ook landelijk was er weinig draagkracht voor. Schoonmaken moet je thuis maar leren.

Crebolder liet zijn leerlingen een verslag schrijven van het opruimen van hun kamer en het schoonmaken van de wc. Vraag je ouders om feedback, was de opdracht, en benoem de valkuilen. Zoals: afgeleid raken door iets dat je tegenkomt. Of: papieren op stapeltjes leggen in plaats van opruimen. Hij liet zijn leerlingen ook boodschappen doen, koken en de tafel dekken en afruimen. „Iedereen op een gymnasium is daartoe in staat. Maar realiseer je eens dat iemand dat elke dag voor jou doet en wat dat allemaal kost.”

De meeste kinderen hadden nog nooit de wc schoongemaakt. Het leek ze vies werk. „Maar bijna altijd zeiden ze daarna: het viel reuze mee.” Vooral kinderen die netjes van zichzelf waren, verbijsterden hem; die deden dan hun best hun kamer nóg netter op te ruimen. En de luxe waarin sommigen opgroeiden. „Dan schreef een jongen in z’n verslag: en toen gooide ik de vieze was via de stortkoker naar de wasruimte.”

„Heel spijtig”, vindt hij dat het vak is afgeschaft, dat volgens hem nuttig was. Als je er als docent tenminste wat van maakte. Want van sommige voorgestelde opdrachten steeg het schaamrood hem naar de kaken. Zoals, voor zes klassen van dertig leerlingen: geef alle leerlingen een lapje van 30 bij 30 centimeter en laat ze dat vies maken aan hun fietsketting. Geef ze drie soorten wasmiddelen en hang alle geboende lapjes aan een lijn in de klas. Beoordeel dan als docent welk lapje het schoonste is.

Poetsen moet je dus thuis leren en Groothuis heeft door alle reacties op haar boek goede hoop dat dat „langzaamaan weer hip” wordt. Al is het maar omdat „een schoon en opgeruimd huis valt onder goed voor jezelf zorgen”. En in het beste geval word je er rustig van. „Een beetje zoals bij zwemmen en hardlopen. Je hoeft er niet bij na te denken en je gedachten kunnen een beetje zakken.”