Lijn in de leegte

Wat kun je zien op plaatsen waar op het eerste gezicht niet zo veel is te zien? Een zomerse serie reportages door heel Nederland. Deel 2, de lijnrechte grens bij Emmer-Compascuum.

Rien Zilvold

Waar de grens recht is, hebben weinigen iets te zoeken. Daar, rond zo’n liniaalrechte grens, ligt land waar eerder niemand zich de eigenaar van noemde. Of er ligt land waar de eigenaars hun recht niet konden laten gelden. Zie de rechte landsgrenzen op de wereldkaart: door de Sahara, door de Arabische en de Namib-woestijn, langs het westen van Canada en de Verenigde Staten. Niemandslanden.

Nederland is geen land van liniaalgrenzen. De grens werd bepaald door de loop van rivieren, door steden en landerijen. Behalve daar waar zoiets niet was. Er is zo’n lijn in het oosten van Zeeuws-Vlaanderen, in een gebied waar vroeger alleen de slikken en schorren van de Schelde lagen. Maar rechte grenzen zijn er vooral in het noorden van het land, waar ooit eindeloos veen was.

©

Van Emmer-Compascuum naar het Bargerveen en dan nog een klein stukje verder: daar loopt de langste rechte grens van Nederland. Achttien en een halve kilometer, lijnrecht getrokken in de achttiende eeuw.

En nog steeds is hier niets – naar moderne, overprikkelde maatstaven. Rij vanaf Fehndorf met moeite naar de grens, over een weggetje met de waarschuwing „Ende der befestigten Fahrbahn”.

Geen kanaal tussen de landen, geen weggetje, geen paal. In Drenthe een veld suikerbieten met glanzend, bobbelig blad. In Nedersaksen aardappels, donkergroen met witte bloemetjes. Het enige dat de twee gewassen scheidt, is een droge greppel van een meter breed. Aan de sporen in het zand te zien, stak zojuist een ree de grens over.

Hier was het altijd leeg. Tot nu.

Binnen een paar jaar staat hier wel iets, voor het eerst in de geschiedenis. De gemeente Emmen ging eind juni akkoord: precies op de landsgrens komen zeven of acht windturbines van zo’n tweehonderd meter hoog. Ashoogte 120 of 140 meter, wiekdiameter idem.

Het zal het einde zijn van een leegte die hier tienduizend jaar bestond. Het was leeg toen het veen hier was, het was leeg toen in de negentiende eeuw de turfstekers kwamen. Daarna de leegte van de twintigste eeuw: uitgestrekte, monotone velden met aardappels, gerst of voedermaïs. En straks de leegte van de eenentwintigste eeuw: datzelfde, maar dan met een windturbine erboven.

Thie Dokter (71) kijkt richting de landsgrens, waar ze komen. De grens ligt een kilometer van de Limietweg, waar hij woont in zijn ouderlijk huis. Hij harkt de voortuin. Hij heeft zelf turf gestoken, vertelt hij, nog tot in de jaren zestig. „Hier was nog veen. Je kwam een wíld tegen, het zat vol diertjes. Korhoenders, slangen, otters.” Op zijn veertiende begon hij, net over de grens. „Ik vond het mooi werk. Je rug werd sneeuwwit van het zweet.” Van het geld kocht hij een Zündapp.

De veenarbeiders schepten de resten op van het ontoegankelijke veengebied dat hier sinds de laatste ijstijd had gelegen. Het Boertangermoeras, ruwweg 70 bij 25 kilometer, overheerste het grensgebied. „Het onafzienbaar groote veld”, vertelden reizigers rond 1800; historicus Michiel Gerding citeerde hen in zijn boek Vier eeuwen turfwinning (1995). „Geen enkel menselijk wezen” bezocht de vlakte, alleen de jager. „Want deze geheele uitgestrektheid was bedekt met eene korst van twee tot vijf el dikte en, als een tot berstens toe volgezogen spons, met water gevuld.”

Nu rest alleen nog het Bargerveen: een natuurgebied dat gekoesterd wordt om de prachtige vennen, om de adders en de zonnedauw. Maar vroeger was het veen vooral nat en onvriendelijk. Boeren was er onmogelijk, alleen op de droogste gronden konden herders met schapen komen. Sinds de zeventiende eeuw hield de Republiek de waterstand zelfs kunstmatig hoog, zodat het veen als verdedigingslinie kon dienen. De boeren zagen het veen als hun gemeenschappelijke land, de compascua.

Maar de Republiek verlangde een grens door dat moeras, en het bisdom Münster ook. Münster was berooid en hoopte dat het economisch tij zou keren als de grond onder boeren verdeeld zou worden. De kwestie sleepte zich vijftig jaar voort, maar in 1784 was er een grenslijn. In 1824 werd die grens onderdeel van het Verdrag van Meppen, dat de landsgrens vastlegde van de Dollard tot het ‘Drieland’ – achter Enschede.

Het grensland was geen niemandsland meer. Maar leeg bleef het, twee eeuwen lang. De turfwinning kwam hier pas na 1850 op gang. Het dorp Barger-Compascuum vierde begin juli zijn 150-jarig bestaan.

Aan de weg bij Thie Dokter stond, eind juni, de feestpoort al klaar, met nog lege bloembakken. Dokter roerde met een hand door de kale potgrond, voelde de donkerbruine plantenresten. „Dit is veen.”

Dat veen werd ontwaterd, afgestoken. Eerst als brandstof, daarna – tot 1992 – kocht de Purit-fabriek in Klazienaveen de turf en maakte er actieve kool (Norit) van. Nu nog wordt er turf gestoken, net over de grens, voor tuinaarde. Bruine, kale vlakten. Maar vooral kwamen er akkers.

En al die tijd bleef het grensgebied leeg, want zo staat het nog altijd in het Verdrag van Meppen: geen bebouwing tot „driehonderd zes en zeventig Nederlandsche ellen en zeven palmen of honderd Rijnlandsche roeden”  van de grens. 376 meter vrij laten dus, tegen de smokkelaars.

Nu wordt in Zuidoost-Drenthe de leegte opnieuw uitgevonden. Het lege land van Nederland is een plek geworden om energie op te wekken. Voor de molens moet de gemeente Emmen alleen nog een ontheffing regelen op het stokoude Verdrag van Meppen. Het laagland krijgt torenhoge wieken.