Interview

‘Dat zijn héftige vragen’

legt in een nieuw boek ingewikkelde kwesties voor aan kinderen. ‘Ze durven de zuivere waaromvraag te stellen.’ En kinderen passen zich makkelijk aan – net als zijzelf.

Slow down, slow down, gebaart Laurentien van Oranje als ik – te laat – binnen kom rennen. We hebben afgesproken in lunchroom Blossom, om de hoek bij haar kantoor in Den Haag. Wat zullen we zeggen?, vraag ik veel te vlug. U of jij? Onhandig begin, want wat kan ze zeggen? ‘Zeg maar u’? En wat had ik tegen haar moeten zeggen? Hare Koninklijke Hoogheid? Mevrouw van Amsberg? Laurentien van Oranje, de naam die op haar kinderboeken staat? Ze wuift de kou uit de lucht en zegt dat het haar om het even is. Toen ze in Tokio woonde, zat ze op de Franse school. „In het Frans is ‘u’ minder formeel. Ik ken zelfs echtparen die elkaar vousvoyeren.”

Ze is getrouwd met de jongste broer van de koning, en dus prinses. Maar ze is ook een vrouw van net 50 met een baan, drie kinderen en een nieuw boek. Het is een ‘voorleesboek voor volwassenen die de weg een beetje kwijt zijn’, ze maakte het samen met Jeroen Smit, een oude studievriend van haar uit Groningen en schrijver van De prooi over ABN Amro. Ze vroegen tien volwassen leiders – de CEO van Shell, de burgemeester van Rotterdam, de baas van PostNL – naar hun grootste dilemma’s en legden die voor aan negentien kinderen tussen de 9 en 12 jaar.

We bestellen water en tomatensoep. Beide blijven vrijwel onaangeroerd, voor eten hebben we nauwelijks tijd. Laurentien tast naar woorden en formuleringen, haar Nederlands gelardeerd met Engelse woorden en uitdrukkingen. Long story short. Struggle. Humbling. Engels, Nederlands en trouwens ook Frans, zijn voor haar interchangeable, zegt ze. Het geeft haar spraak iets on-Nederlands.

Ze pakt haar boek erbij, Nog lang en gelukkig heet het, en ze wijst aan welke dilemma’s de leiders voorlegden aan de kinderen: ‘Hoe kom ik uit mijn comfortzone?’, vraagt Neelie, 74 jaar [Kroes, voormalig eurocommissaris]. Of, vraag van Feike, 56 jaar [Sijbesma, CEO van DSM]: ‘Hoe blijf je trouw aan jezelf in een wereld die vaak van je verwacht dat je maar stoer meedoet? En Merel, 48 jaar [Vroonhoven, bestuursvoorzitter AFM]: ‘Hoe breng ik echte verbinding tot stand met en voor anderen?’ Laurentien tikt op de pagina in het boek en zegt. „Dat zijn héftige vragen.”

Voor haar is het volkomen vanzelfsprekend om kinderen mee te laten denken over dit soort vraagstukken.

In 2009 richtte ze een stichting op, Missing Chapter Foundation, waarmee ze de „denkkracht van kinderen en hun rol als change agent” wil benutten. Hoe? Onder andere door de Raad van Kinderen. Net als een Raad van Bestuur of van Commissarissen wordt een schoolklas gevraagd mee te denken over een bedrijf, een vakbond of een ministerie. Het idee voor haar stichting kreeg ze toen ze in de krant las dat de Russen een vlag plantten op de Noordpool. „Op een stukje grond vierduizend meter ónder het ijs. Landjepik op zo’n kwetsbaar stuk wereld. Waarom? Waarom?”

Pas als je tien keer de waaromvraag stelt, zegt zij, kom je tot de essentie van een probleem. Kinderen durven „de zuivere waaromvraag te stellen én ze hebben creativiteit om andere oplossingen te bedenken.” Dus als de directie van accountantsbureau EY de vraag voorlegt hoe het vertrouwen in de financiële sector weer kan worden herwonnen, dan vragen kinderen: „Vertrouwen? Wie vertrouwt wie dan niet? De bank ons, of wij de bank?”

Intuïtief, zegt zij, scherpen kinderen een vraagstuk aan. Meer dan volwassenen denken ze „multidimensionaal en conceptueel. Kinderen zeggen vaak dat volwassenen steeds dezelfde drie denkfouten maken: ze vergeten waarom ze doen wat ze doen, ze nemen te grote stappen en ze slaan de eerste stap over.”

Dagbesteding voor een hoogheid

Ze wist, toen ze de stichting begon, intuïtief dat het kinderperspectief waardevol kon zijn, zegt ze. Maar nu, zes jaar later, met 16 vaste werknemers en 70 deelnemende bedrijven (Albert Heijn, Nike, C&A) is ze ervan overtuigd. „Maar ik heb nooit de drang te zeggen: kijk, ik had gelijk.” Ze heeft zich verdiept in de wetenschappelijke onderbouwing van haar werk. „Ik las het werk van Janusz Korczak, een kinderarts in Warschau. Hij liet in de praktijk zien hoe serieus je kinderen kunt nemen. Hij liet 200 wezen hun eigen weeshuis bestieren. Ze richtten uit eigen beweging een parlement op en een gerechtshof. Ze runden – vrijwel zonder tussenkomst van volwassenen – een volwaardige minimaatschappij.”

Haar enthousiasme is aanstekelijk, maar toch, ergens knaagt er iets. Een vaag snippertje scepsis. Want laten we wel wezen, ze blijft een prinses. En ‘iets met kinderen’ is een veilige dagbesteding voor een hoogheid. Ze lacht, sportief. „Vraag je nou of ik mezelf wel serieus kan nemen omdat ik met kinderen werk?” Ze denkt even na. „Wat een... interessante vraag.”

Ze is niet beledigd. Ze vindt het juist prettig, zegt ze, als mensen eerlijk tegen haar zijn. „Ik hou van harmonie, maar een beetje wrijving is goed. Ongemakkelijk, maar aangenaam.” Maar cynisme, dat vindt ze iets verschrikkelijks. „De wereld gaat ten onder aan wantrouwen en cynisme, dat voel ik heel sterk.”

Wat ik bedoelde is: had ze niet zélf een Merel Vroonhoven (AFM) moeten worden of een Herna Verhagen (PostNL). Ze heeft er de papieren voor, ze studeerde in Groningen, Londen, Berkeley. „Oh nee”, zegt ze. „Ik ben niet iemand voor het bedrijfsleven. Ik observeer liever een systeem van buitenaf, dan dat ik er onderdeel van ben. En dat is precies wat ik met de Raad van Kinderen beoog.”

En dan is de tijd op. We spreken nog een keer af. Dit keer bij haar op het kantoor van haar stichting in Den Haag. Via een overdekte binnentuin lopen we naar de kantine van de belendende bank. Ze komt terug op haar carrièreplanning, of liever de afwezigheid daarvan. „Ik heb alles in mijn leven op intuïtie gedaan. Mijn vader [oud-minister Laurens Jan Brinkhorst] stimuleerde dat ook.”

Ze was 16 toen haar ouders voor haar vaders werk naar Tokio verhuisden. „Ik had de keus. Meegaan of in Nederland blijven. Ik ging mee. Ik mocht kiezen tussen de Britse, de internationale, de Duitse en de Franse school. Little did I know. Ik koos de black box, de Franse school. Twee maanden leefde ik in volledige isolatie, ik verstond niets. Alleen de Engelse les gaf houvast.” Haar eerste Franse volzinnen sprak ze toen ze het, en plein public, opnam voor een leraar die werd gepest.

Ze koos Groningen om te studeren. „Mijn broer had er ook gestudeerd. Hij is tweeënhalf jaar ouder, we zijn heel close. Het leek me goed om een basis te hebben, een band met één land. Mijn man heeft ook een actief studentenleven gehad, in Leiden. Misschien had ik dat minder goed begrepen als ik in het buitenland was gebleven.” Na een jaar Groningen vertrok ze naar Londen om politicologie te studeren, woonde in een dorm met 200 meisjes. „Weer een sprong in het diepe.”

Haar telefoon gaat. Eloise belt, haar dochter van 14. Ze heeft auditie gedaan en de rol in het toneelstuk gekregen die ze graag wilde. Ze neemt de tijd om naar haar te luisteren en te feliciteren, neemt afscheid met een „dikke zoen”.

Kinderen zijn al burgers

Haar werk met kinderen komt voort, zegt zij, uit een behoefte aan „moraliteit”. Een groot woord, vindt ze zelf, maar dat is wel de kern. „Door mijn opvoeding, mijn achtergrond, mijn studiekeuze... Het lag voor de hand dat ik mijn rol zou vinden op het maatschappelijke vlak. Actief burgerschap is me van huis uit meegegeven.” Als 12-jarige deed ze mee aan het kinderparlement van de AVRO. „Ik voerde de oppositie aan. Mijn broer was de minister. Het ging erom de kiesgerechtigde leeftijd van 18 naar 16 te brengen. Ik was voor.” En, kreeg ze haar zin? „Ik geloof van niet.” Kinderen zijn al burgers, zegt zij. „Ze zijn gelijkwaardige stakeholders.”

Van huis uit kreeg ze ook mee dat het belangrijk is „autonoom” te denken. Geen genoegen nemen met de status quo én je aanpassen aan veranderende omstandigheden. „Kinderen kunnen dat van nature. Ze zitten nog niet zo strak in een systeem.” Weer dat woord systeem. „Elk mens moet zich verhouden tot een systeem; het gezin, het bedrijf, de samenleving. Ook de CEO’s die we interviewden voor ons boek worstelen met hun positie. Het is een struggle, voor iedereen.”

Voor een prinses is de struggle misschien nog net iets zwaarder? Ze antwoordt in bedekte termen. Zegt dat ze niet iemand is die rammelt aan deuren, maar liever „meebeweegt”. Ze is van go with the flow en deal with it.

Te pas en te onpas wordt ze aangesproken op wie ze is en wat ze doet. Ook als ze straks naar de supermarkt gaat. Vervelend? „Nee. Ik weet dat het gebeurt. Dus neem ik het zoals het komt.” En dat mensen nog wel eens vergeten dat ze gewoon een baan heeft en haar eigen geld verdienen moet? Ze haalt haar schouders op. „Soit.”

En weer is sneller dan gedacht de tijd voorbij. Ze legt haar beide handen op tafel, klaar om op te staan. O trouwens, zegt ze. „Ik ben geen directeur meer van de stichting.” In de tijd tussen onze twee afspraken heeft ze een opvolgster benoemd. Laurentien gaat zich concentreren op België en Frankrijk, daar is ook belangstelling voor de Raad van Kinderen. Ze lacht. „Ja, het is tijd om mezelf weer opnieuw uit te vinden.”