Column

Berend Botje

Terug van vakantie. Vlak achter mij in de rij van de paspoortcontrole op Schiphol stond Team Kuipers. Met zijn vieren. De vijfde man was zoek.

„Is er vaak met zijn hoofd niet bij”, sipte Björn in mijn richting.

„Klopt”, lachte ik, „daarom staan jullie hier. Zag hij nou echt niet dat die Kroatische keeper tegen Spanje een kwartier voor zijn doel stond? Wij dachten dat die gozer die pingel ging nemen. Had jullie vijfde man heimwee ofzo? Of werkt hij bij jou in Oldenzaal in de Jumbo en is hij verantwoordelijk voor de inkoop van de kratjes Heineken? Goed dat je op tijd terug bent want het is crisis in de Jumbo. De Achterhoek een weekend zonder bier…”

De chef van Team Kuipers keek me bedroefd aan. Zorgen. Grote zorgen. Zijn missie was faliekant mislukt.

Ondertussen was de vijfde man erbij komen staan en die begon een verward verhaal over de onschuld van Messi, die volgens hem zijn leven lang niets anders had gezien dan gras en een bal. Of ik wist dat Lionel na elke wedstrijd nog gewoon door een au-pair werd opgehaald en dat de tattoos op zijn arm er zo afgewassen konden worden? Viltstift.

Gelukkig hoefde de geplaagde stervoetballer niet te zitten en als dat wel had gemoeten dan had de vijfde man Lionel persoonlijk naar Nederland gehaald. Omdat je daar een sleutel van je cel krijgt zodat je lekker in en uit kunt wandelen. En de vader van Lionel was ook onschuldig. Die man was gewoon een roestige metaalbewerker uit het Argentijnse Rosario, die zich had laten voorliegen door een zootje fiscale gladjakkers die hun opleiding bij KPMG hadden gehad.

Björn Kuipers zei dat ik me niks van de vijfde man moest aantrekken. Hij was sinds zijn fatale blunder totaal de kluts kwijt. Of ik misschien een goed verzorgingstehuis wist? Of moest hij daarvoor bij de staatssecretaris zijn?

„Lijkt me niet de aangewezen figuur”, antwoordde ik, „die heeft zelfs zijn oude moeder in een huis gestopt dat op zijn eigen zwarte lijst staat.”

„Klopt”, zei de verwarde vijfde man, „daarbij horen moeders niet in tehuizen waar ze dagen in een vuile luier zitten te soppen en met hun eigen stront hun naam op de muur schrijven. Moeders moeten gewoon door de kinderen verwend worden door ze leuke dagjes mee uit te nemen. Naar de Efteling bijvoorbeeld.”

Nu reageerde een meneer voor mij in de rij. Als door een adder gebeten, de man zag er opvallend uit. Hoe zal ik hem nou eens netjes omschrijven? Vroeger had ik hem een neger genoemd. Misschien zelfs wel een nikker. Laat ik het nu houden op: een inboorling.

„Die racistische Efteling”, brieste de man, die een botje dwars door zijn neus had en een onderlip die groter was dan een schoteltje. Hij ging los over de attractie Monsieur Cannibale waarin iemand van zijn volk karikaturaal was afgebeeld met een pollepel door de neus.

„Een pollepel”, schreeuwde man door de wachtrij, „een pollepel. Wat denken die carnavaleske brabo’s wel? Een dwars door het middenschotje geboord mensenbot is het enige wat telt!”

En daarom was hij in Nederland. Om dit aan de pretparkdirectie te gaan vertellen. En hun straf zou niet mild zijn. Hij zou ze persoonlijk opvreten en het filmpje van zijn schrokpartij op YouTube zetten. Dat zou al die andere pretparkracisten leren. Of ik hem begreep?

Ik legde de man uit dat ik het ook een schandelijk beeld vond, maar dat ik dat met meer figuren in de Efteling had. De heks van Hans & Grietje was wat mij betreft ook wel aan vernieuwing toe. Ik dacht aan een mokkel van een jaar of vijftig met zo’n kortgeknipte jongenskop, een driekwartsbroek en Crocs aan de kalknagels. En niet te vergeten: het onvermijdelijke rugzakje!

„Zoals al die wijven van jullie eruitzien”, gniffelde de inboorling, „die vrouwen van jullie zijn geen gerechten die als delicatesse op ons menu staan.”

Bijna waren we allemaal aan de beurt. De vijfde man probeerde voor te dringen en toen Björn daar iets van zei ontkende hij dat hij voordrong.

„Op naar de Jumbo”, zuchtte Björn.

„De Jumbo?”, zei de inboorling, „een olifant?”

„Daar halen wij ons eten”, stelde ik de man gerust, waarna ik me stiekem uit de rij wurmde. Nog even een weekje met vakantie.