Recensie

Alsof je tegen de zon in kijkt

Het Gemeentemuseum Den Haag toont de optische schilderijen die de Britse kunstenaar Bridget Riley in de afgelopen halve eeuw maakte. De schittering van haar werk maakt het soms bijna onmogelijk ernaar te kijken.

De schilder Bridget Riley (Londen, 1931) draait de uitdrukking ‘the mind’s eye’ om en spreekt in plaats daarvan van ‘the eye’s mind’. Zij is niet geïnteresseerd in het menselijk vermogen om gedachten te visualiseren, maar in de vraag: wat doet het oog? Om deze vraag draait haar werk al meer dan vijftig jaar. Wie haar schilderijen – abstracte composities met een sterk optisch effect – bekijkt, voelt het oog fysiek meetrillen met het oppervlak, ervaart hoe de ogen meebewegen met de richting van de compositie of juist er tegen in. „De waarneming is mijn medium”, zei Riley al in 1965. Het kijken brengt inzicht voort en opent nieuwe perspectieven op de wereld.

Een kunstenaarscarrière kan grillig verlopen. Riley werd in 1965 op slag internationaal beroemd na een expositie van haar zwart-witte blokjes- en strepenschilderijen in New York en gekroond tot de koningin van Op Art. Toen Op Art weer uit de mode was, raakte ook haar werk lange tijd op de achtergrond. In de jaren zeventig en tachtig, toen het neo-expressionistische schilderen hoogtij vierde, moest ze voortdurend uitleggen waarom ‘the touch’ niet zichtbaar was in haar schilderijen. In de jaren negentig moest ze juist uitleggen dat niet de groeiende kunstmarkt en de productiedwang haar ertoe bewogen om met assistenten te werken, maar dat ze „haar eigen handen opzij moet leggen” omdat ze het schilderen van haar steeds grotere doeken lichamelijk niet meer aankon. Sinds een jaar of vijftien wordt Riley erkend als een schilder van wie het oeuvre geïnspireerd is door het late impressionisme en diep geworteld in het modernisme. Riley is, na de zwart-witte doeken uit de beginperiode, vooral gefascineerd door de werking van kleur. De werken van onder anderen Georges Seurat, Piet Mondriaan en Paul Klee dienen haar hierbij ten voorbeeld.

Op haar tentoonstelling The Curve Paintings 1961-2014 in het Gemeentemuseum zijn ruim vijftig schilderijen en studies met gebogen lijnen te zien. De curve speelt een bijzondere rol in Riley’s werk. Curves maken een verandering van tempo in de compositie mogelijk. Ook is de curve in Riley’s waarneming verwant aan de staande menselijke figuur; denk aan het ‘contraposto’ van klassieke beelden, waarbij de figuur een voet naar voren heeft geplaatst en daarbij licht door één heup zakt, zodat de hele figuur een lichte S-bocht vertoont.

In Current (1964) verloopt de curve langs twee assen, horizontaal en verticaal. De zwart-witte lijnen golven van boven naar beneden, eerst traag en dan sneller, zodat in het midden van het vlak een bevende, horizontale rimpeling ontstaat. Daarna lopen de lijnen langzaam naar beneden uit, zoals een golf die loom aanspoelt op het strand. Het is bijna een muzikale ervaring om die versnelling en vertraging met de ogen te volgen.

De waardering van Riley’s werk in termen van louter optisch effect, zoals dat gebeurde in de jaren zestig, doet haar schilderijen zeker geen recht. Maar het feit blijft dat de optische, vibrerende straling die deze schilderijen teweegbrengen zó sterk kan zijn dat het vrijwel onmogelijk is om ernaar te kijken. In zekere zin maakt Riley schilderijen die zich niet willen laten bekijken. Dit is bewust: volgens Riley is de waarneming alerter en energieker wanneer het doelwit niet helemaal expliciet is. Zij zoekt naar een spanning over het hele vlak, een patroon dat werkt als een masker, als een sluier die soms iets kan openbaren van wat erachter ligt.

In Red with Red 1 (2007) bewegen gekromde vlakken van feloranje en hardroze – de twee tinten rood uit de titel – zich naar rechts over het doek, als vlammen. Een verticale balk van oranje en roze houdt het patroon in evenwicht. In de titel wordt niet het donkerblauw genoemd, dat zich in de vorm van langgerekte gaten tussen de twee tinten rood bevindt. Het dynamisch schouwspel van de twee roden, beheerst en energiek, wordt zichtbaar dankzij dit blauw dat eigenlijk, als pure ruimte, een non-kleur is.

Iets vergelijkbaars gebeurt in de monumentale wandschildering Rajasthan (2012), een lang fries van vergelijkbare vlam-achtige vormen in rood, oranje en groen. De curven omcirkelen strakke diagonalen die naar rechts bewegen. Het wit van de muur dringt door het kleurenpatroon heen, maakte het zichtbaar en ruimtelijk en is tegelijk zelf als kleur afwezig.

Riley’s latere werk vertoont steeds duidelijker de inspiratie van de natuur. Ze heeft in teksten beschreven hoe ze als kind met haar moeder lange wandelingen maakte langs de kust van Cornwall. Met de zon in de rug lag de zee als een uitgestrekt vlak van turkoois vóór haar. Langs het pad zag ze tamarisk, duinroos en korstmossen als een bewegend fries van roze, groen en geel. Maar wanneer ze tegen de zon inliepen was alles zwart-wit en de kleuren uitgebleekt, de lucht als een plaat zilver, de zee glinsterend met myriaden lichtpuntjes, rotsen en kliffen gereduceerd tot rokerige grijstonen of zwarte silhouetten.

The Kiss (1961, 122 x 122 cm) is het vroegste werk op de tentoonstelling. Het is tevens het meest abstracte schilderij, verwant aan hard edge, een stroming in de Amerikaanse schilderkunst uit die tijd. Ook doet het denken aan het werk van Ellsworh Kelly. Een groot zwart gebogen vlak raakt net niet aan een horizontaal zwart vlak. Het wit ertussen vormt een gecurvede leegte.

Alsof de zilveren plaat van de lucht de donkere zee kust, in een eeuwigdurende tijdruimte.