Adellijke moeder met een dubbelleven

Madeleen Leyten-de Wijkerslooth (1935-2016) was medeoprichter van het CDA. Ze kon minister worden, met gemak. Liever bleef ze partij-ideoloog op de achtergrond.

Madeleen Leyten-de Wijkerslooth op haar achttiende, rechts in 1989 bij de Raad van State in Den Haag.

Eind jaren vijftig zat Madeleen de Wijkerslooth de Weerdesteyn op de trap van een groot huis aan een Nijmeegse singel. Om haar heen zaten jongens en meisjes in de huwbare leeftijd. In die tijd gaven goede families huisfeesten om hun kinderen met elkaar kennis te laten maken.

Madeleen de Wijkerslooth studeerde rechten in Nijmegen en was van katholieke adel. Ze zat in het bestuur van de Nederlandse Studentenraad. Haar oogopslag was zelfverzekerd, een tikje brutaal. Ze was goed op haar gemak in gezelschap van mannelijke studiegenoten, die om haar heen zwermden.

„Moet je nou eigenlijk wel trouwen”, zei De Wijkerslooth op de trap. „En kinderen krijgen? We worden in een keurslijf gedrukt.” „Ik was niet eens verbaasd dat een meisje van mijn leeftijd zo liberaal dacht”, zegt Maria Berger-Van Rijckevorsel, die naast haar zat. „Maar wel dat zij het zo hardop uitsprak. Ik viel bijna van de trap.”

Vorige maand overleed jonkvrouw Madeleen Leyten-de Wijkerslooth, 80 jaar oud in Den Haag, vlak na haar vijftigjarig huwelijksfeest en „nadat haar meelevende en heldere geest al sluipenderwijs van ons was weggenomen”, zoals het in de annonce stond.

Op het Binnenhof gold ze jarenlang als wijze souffleur en vertrouweling van CDA-leiders als Van Agt, Lubbers, Frans Andriessen en Piet Steenkamp. Ze was medeoprichter van het CDA, zat voor die partij in de Eerste Kamer en sinds 1987 in de Raad van State. Haar naam prijkte decennialang op lijsten van meest invloedrijke vrouwen en in de jaren 80 kreeg ze in elk kabinet een ministerspost aangeboden, maar ze bleef op de achtergrond.

Halverwege de jaren 60 kwam ze neuroloog Ton Leyten, die ze nog uit het studentenleven kende, weer tegen in Den Haag. Ze maakten een reis door Frankrijk en Spanje en werden verliefd. „Ze vroeg: ‘Zou je me niet eens ten huwelijk vragen’,” herinnert Ton Leyten zich. Hij had daar wel aan gedacht, maar hij durfde niet goed. Hij was immers niet van adel. Het jaar daarop trouwden ze, verhuisden ze naar Tilburg waar hij een aanstelling had en kregen ze hun eerste kind.

Daar, in de burgemeestersbuurt in Tilburg, verfijnde ze haar dubbelleven. Het leven van toegewijde moeder die met haar drie kinderen in de landelijke dagbladen poseerde, parelketting of Hermès-sjaal om de hals, stralende lach. ’s Middags naast de theepot. En het leven van partij-ideoloog vanuit een huis met vijf telefoons met lange snoeren.

„Bellen, bellen, bellen”, zegt Jan Krajenbrink, medeoprichter van het CDA. „Nooit speelde ze haar kaarten uit in publieke debatten, altijd in telefoongesprekken of onder vier ogen. Die belcultuur gold in het hele CDA.”

Tussen 1972 en 1980 bereidde Madeleen Leyten vanuit het KVP-bestuur het CDA voor. Met steun van hun achterban besloten de besturen van de KVP, de ARP en de CHU hun grondbeginselen en partijorganisatie in elkaar te schuiven.

Leyten noemde zichzelf ‘een uitgesproken harmoniedenker’ en had een scherp oog voor de tijdgeest: de crisis in de verzorgingsstaat, de afnemende solidariteit, de opkomende individualisering. Ze reisde het land door langs de KVP-kieskringen om de geesten rijp te maken voor de fusie. Ze hield de emotionele Steenkamp in het gareel. Ze ging de confrontatie aan met de toenmalige KVP-voorzitter Dick de Zeeuw, die een algemene volkspartij nastreefde.

Later keek Leyten in deze krant op de fusie terug als „een geestelijke salto mortale”. „Eigenlijk is het natuurlijk te gek dat we de volgorde omkeerden: eerst de partij oprichten en vervolgens het gedachtegoed bedenken. Maar het had alles te maken met de angst opnieuw verdeeld te raken.’’

De Zeeuw trad af, maar Leyten bleef met hem corresponderen tot zijn dood in 2009. „Ze liet vriendschap en politiek hand in hand gaan”, zegt Ton Leyten. „Ze had een innerlijke beschaving”, zegt Krajenbrink. „Een gaaf karakter. Nooit maakte ze iets te gelde.” Haar vader had als hoofdingenieur directeur van Rijkswaterstaat in de oorlog geweigerd de ariërverklaring te ondertekenen.

Waarom hield ze een ministerschap of een aanstelling als Commissaris van de Koningin af? In CDActueel zei ze in 1989: „Echte topfuncties zijn niet geschikt voor vrouwen met opgroeiende kinderen.” In die zin had ze het keurslijf waarover ze op het studentenfeest sprak, toch aanvaard.

Maar, zegt haar broer Joan de Wijkerslooth, het adellijk perspectief had er ook mee te maken. „Haar achtergrond was naar haar gevoel geen positieve of neutrale factor in de politiek. Zij wilde kunnen functioneren op basis van kwaliteiten, en niet op basis van familie, wieg of bijbehorend netwerk. Voor een rol op de achtergrond zijn die laatste factoren niet belemmerend, maar wel aan het front. De gewone kiezer zou de neiging kunnen hebben haar te beoordelen als lid van een elite. Dat vond zij een risico voor het CDA.”

Ze liet zich niet voorstaan op haar adellijke afkomst, zegt Ton Leyten, maar droeg wel de lasten.